Auteursarchief: Rob de Vos

Het nieuwe rapport van het IPCC

Gisteren uitgebracht met veel tromgeroffel. Nou ja, de inleidende muziek was al weken hoorbaar in main stream media, die er alles aan doen om het rapport over het voetlicht te brengen. Ik heb het rapport gisteren gedownload, het is maar liefst 3949 pagina’s dik, dus ik hoop dat niemand van me verwacht dat ik er al uitgebreid over schrijf. Maar wat ‘bladeren’ laat zien dat het vergeleken met het vorige rapport AR5 er nog een tandje bijgezet is om het allemaal nog angstaanjagender te maken.

Clintel heeft gisteren een eerste reactie uitgebracht in het Engels. Voor wie dat liever in het Nederlands leest heb ik een vertaling van de Clintel reactie hieronder gezet. Ik ben het volledig met deze eerste reactie van Guus Berkhout en Jim O’Brien eens:

9 augustus 2021

CLINTEL heeft een voorlopige beoordeling uitgevoerd van de vandaag gepubliceerde IPCC Summary for Policymakers (SPM) van het AR6 WGI-rapport (on the Physical Science). Het blijkt dat de SPM, net als in eerdere rapporten, vatbaar is voor overdrijving van gegevens en dus een weinig objectieve basis biedt voor beleidsvorming.

Verrassend genoeg hebben klimaatwetenschappers uit IPCC-kringen vorige week nog toegegeven dat hun nieuwe AR6-generatie van klimaatmodellen “oververhit” en dus te alarmistisch zijn. De bekentenis doet ook vragen rijzen over de betrouwbaarheid van de temperatuurvoorspellingen van de vorige generatie modellen van het IPCC in het AR5-rapport van 2014, waarin een extreem hoog RCP8.5-emissiescenario werd gebruikt, dat vaak ten onrechte wordt aangeprezen als een business-as-usual-case en wordt gebruikt om extreme klimaatmaatregelen te bevorderen.

Uit onafhankelijke waarnemingen was al gebleken dat de CMIP5-modellen te gevoelig waren voor de toename van broeikasgassen, waarschijnlijk met een factor twee. De combinatie van een te hoge klimaatgevoeligheid en te hoge emissieprognoses resulteerde in onwaarschijnlijk hoge temperatuurprognoses. Aangezien de modellen van de nieuwe generatie nog warmer lijken te draaien, maken zij de overeenkomstige scenario’s in het AR6 foutief hoog.  IPCC-wetenschappers zelf vragen zich af of hun modellen wel te vertrouwen zijn als beleidsinstrument. “Het is het afgelopen jaar of zo duidelijk geworden dat we niet om deze bekentenis heen kunnen“, vertelde Gavin Schmidt – directeur van NASA’s Goddard Institute for Space Studies – aan het gerenommeerde tijdschrift Science.  Schmidt zei ook: “Je eindigt met cijfers voor zelfs de nabije toekomst die waanzinnig eng zijn – en verkeerd.

De nieuwe scenario’s van een temperatuurstijging tegen 2100  tot 5°C ten opzichte van 1850 zijn niet consistent met de huidige opwarming van ongeveer 0,15°C per decennium, wat een verdere stijging van slechts 1,2°C tegen 2100 impliceert.

De SPM-grafiek van de mondiale temperaturen in de afgelopen 2000 jaar wekt weinig vertrouwen, omdat de Romeinse en Middeleeuwse opwarmingsperioden (met temperaturen die vergelijkbaar of zelfs hoger waren dan nu) en de Kleine IJstijd (met de laagste temperaturen in die twee millennia) niet worden vermeld.

De voorspellingen van het wereldgemiddelde zeeniveau tot 2100 lijken eveneens overdreven. Gegevens van getijdemeters sinds 1900 wijzen op een stijging van 2,1 mm per jaar, terwijl 27 jaar aan satellietgegevens wijzen op 3,3 mm per jaar. Uitgaan van het hoogste cijfer betekent een verdere stijging met slechts 25 cm tegen 2100.

De algemene beweringen in het SPM over de toename van de frequentie en intensiteit van extreme weersomstandigheden lijken niet te stroken met eerdere IPCC-rapporten. De basis voor deze beweringen, met name voor toegenomen droogtes, zal nader worden beoordeeld in onze analyse van het volledige WGI-rapport. Veel van de huidige onafhankelijke waarnemingen wijzen in feite op een grotere frequentie van extreme weersomstandigheden in het verleden.

CLINTEL heeft consequent betoogd dat het klimaat weliswaar verandert, deels door antropogene invloeden, maar dat er geen klimaatcrisis is, en dat het klimaatbeleid moet worden gebaseerd op voorzichtige kosteneffectieve aanpassing in plaats van op onbetaalbare ineffectieve mitigatie. Het nieuwe SPM biedt weinig objectief bewijs om deze sterk gekoesterde overtuigingen te wijzigen.

Guus Berkhout, President of CLINTEL (https://clintel.org),
Jim O’Brien, Irish CLINTEL ambassador, Chair of the ICSF (www.ICSF.ie)

.

In gesprek met Ferdinand Meeus

Tegenwoordig kan men geen krant, weekblad of maandblad meer open slaan zonder te lezen over de ‘klimaatcrisis’. In de Verenigde Staten en vooral in Europa smeden bestuurders ambitieuze plannen ter verduurzaming van de economie, en naar men zegt bestaat er een verreikende consensus onder wetenschappers dat de opwarming van de aarde aan menselijk handelen te wijten is. Er zijn echter gelukkig nog altijd mensen die alle opwinding met enige scepsis bezien. Een van hen is Ferdinand Meeuws, expert reviewer bij het Intergovernmental Panel on Climate Change en kritisch wetenschapper. Binnenkort komt het zesde klimaatrapport van het IPCC naar buiten. Meeus twijfelt of het IPCC wel naar de kritische kanttekeningen van de expert reviewers heeft geluisterd en vreest dat het komende rapport vanwege tunnelvisie in lijn van de vorige rapporten ligt.

Marlies Dekkers in gesprek met Ferdinand Meeus, doctor in de chemie/fotofysica/fotochemie over het IPCC, klimaatwetenschap, CO2, energie, Frans Timmermans en nog veel meer.

De temperatuur op Antarctica

Fig.1   Bron: KNMI

Diverse lezers wezen me op een recent KNMI-bericht over het temperatuur dagrecord op Antartica. Figuur 1 toont de kop van dat bericht. WMO (Wereld Meteorologische Organisatie) heeft een nieuw warmterecord op station Esperanza bevestigd. Esperanza is gelegen op het Antarctisch Schiereiland (Peninsula). Daar werd op 6 februari 2021 een maximum temperatuur van 18,3 °C gemeten. Volgens hetzelfde bericht stamde het vorige record (van 17,5 °C)  uit 2015 en was gemeten op hetzelfde Argentijnse station.

Fig.2    Bron: AD

Die temperaturen zijn opmerkelijk, want vorig jaar was er sprake van een record op 9 februari 2020 van meer dan 20 °C  (zie figuur 2). Dat record was gemeten op Seymour Island, eveneens op een Argentijnse basis. De kranten stonden er destijds vol mee, en voor het NOS journaal was het de gehele dag een nieuwsitem. Het zou een verbetering zijn van het warmterecord uit 1982 toen het op Signy Island 19,8 °C geworden zou zijn.  Zie mijn bericht hierover van 23-2-2020.

In het bericht van 24 -2-2020 ben ik nader ingegaan op dit record uit 2020 van maar liefst 20,75 °C, dat gemeten zou zijn op de basis Marambio op Seymour Island. Merkwaardig was dat Wetteronline niet voor 9 februari maar voor 10 februari op Marambio een maximum temperatuur liet zien van net geen 16 °C, en de Argentijnse Meteo Dienst  (SMN) voor 9 februari op Marambio een T max van 15 °C. Wetteronline noteerde voor 9 februari 2020 een maximum temperatuur van 10,4 °C. Dat laat deze grafiek uit een derde bericht over dit onderwerp zien:

Fig.3   Bron: Klimaatgek

Ik heb over deze kwestie destijds een email geschreven naar de WMO (Wereld Meteorologische Organisatie) en Wetteronline. WMO berichtte mij dat het record eerst gevalideerd diende te worden door de WMO. Van Wetteronline heb ik destijds niets vernomen. Het is in dit licht bezien natuurlijk heel opmerkelijk dat er nu op de site van het KNMI sprake is van een nieuw record op 6 februari 2021 van 18,3 °C, terwijl er vorig jaar sprake was van een record van 20,75 °C. Ik vermoed dat dat record van vorig jaar stilletjes in de prullenbak van de WMO is verdwenen.

Nu is me al vaker opgevallen dat veel media tuk zijn op records, met name warmterecords. Die worden binnengehaald als Olympische medaillewinnaars. Voor het KNMI was dit nieuwe dagrecord blijkbaar aanleiding om wat te schrijven over het landijs op Antarctica en de stijgende zeespiegel en Nederland. Nu zijn er voldoende goede redenen om een dagrecord op station Esperanza niet te gebruiken als aanleiding om te schrijven over afsmelten van landijs en stijging van de zeespiegel. In de eerste plaats is een dagrecord als Tx (maximum temperatuur) een momentopname. Voor het duiden van langdurige processen zoals afsmelten van landijs en zeespiegelstijging is een dagrecord volstrekt ongeschikt, daar heb je langjarige meetreeksen voor nodig, het liefst zoveel mogelijk en zo lang mogelijk. En die zijn er nauwelijks op Antarctica. De stations waar men langer dan 70 jaar meet zijn op de vingers van een hand te tellen.

Fig.4    Bron: https://www.add.scar.org/

In de tweede plaats zijn meetdata van station Esperanza niet geschikt om algemene conclusies te trekken over het landijs op het continent Antarctica. Esperanza ligt op het uiterste puntje van het Antarctisch Schiereiland, op 63,4° ZB,  ruim buiten de Zuidpoolcirkel (figuur 4). De afstand van Esperanza tot de Zuidpool is ongeveer gelijk aan die van Reykjavik tot de Noordpool. Bovendien is het Antarctisch Schiereiland zoals het een schiereiland betaamd omgeven door water. Die ligging maakt dat de weerkundige en klimatologische omstandigheden van het Schiereiland niet te vergelijken zijn met de door landijs bedekte Oost- en West-Antarctica.

Fig.5    Bron: KNMI

Het KNMI-artikel heeft daar echter geen boodschap aan en koppelt dramatisch afsmelten van landijs en stijging van de zeespiegel zonder gêne aan het dagrecord op Esperanza, zoals figuur 5, 6 en 7 tonen.

De opmerking dat de afgelopen 50 jaar de temperaturen op het Antarctische Schiereiland  met zo’n 3 °C zijn gestegen zal ik hieronder checken. Heel raar is dat wordt beweerd dat -omdat meer dan 99 procent van het Antarctische continent bedekt is met sneeuw en ijs-  ”zulke hoge temperaturen” zorgen voor een sterke toename van de ijskap. Welke hoge temperaturen worden hier bedoeld? Toch niet die ene dag in februari 2021 dat het 18,3 °C werd op station Esperanza, hoop ik. In ieder geval niet de temperaturen op station Amundsen-Scott, op het dak van het landijs, waar het in 2020 gemiddeld -48,2 °C werd. En ook niet op 3000 km afstand van de Zuidpool, op station Esperanza, waar de gemiddelde zomertemperatuur al 40 jaar schommelt tussen de 0 en 2 °C.Fig.6    Bron: KNMI

Veel wat in het artikel als ‘feit’ wordt weergegeven is in werkelijkheid een kettingredenering van aannames die niet gedekt worden door observaties. En waar leidt dit alles volgens het KNMI toe? Ik lees: “Een sterke verdere opwarming in dit gebied kan leiden tot een snelle en onomkeerbare ‘afbrokkeling’ van de ijskap.”  En dat laatste is dan weer het opstapje naar de volgende rampspoed, namelijk de zeespiegelstijging die vooral voor Nederland desastreus kan uitpakken:Fig.7    Bron: KNMI

Ik lees verder: “Hoge temperaturen in het zuidpoolgebied en een sterke afsmelting van de Antarctische IJskap betekenen slecht nieuws voor Nederland.” En dat allemaal naar aanleiding van het feit dat op 6 februari 2021 op station Esperanza een maximum dagtemperatuur van 18,3 °C gemeten is.  Wat een geleuter. Trouwe lezers van deze website weten intussen wel dat ik elk jaar van de 6 hoofdstations langs de Nederlandse kust de relatieve zeespiegelstijging sinds 1901 weergeef, en dat er tot nu toe in die reeks van 120 jaren geen enkele versnelling meetbaar is. Dat komt overigens prima overeen met het feit dat er op Antarctica geen observaties zijn van ‘dramatisch’ afsmelten van landijs.

Fig.8    Bron: Zhu et al (2021)

Hoe zit het met de ontwikkeling van de temperaturen op Antarctica op langere termijn?

Zoals gezegd zijn op Antarctica lange termijn waarnemingsdata schaars. De meeste weerstations liggen ook nog eens aan de kust, wat het klimaatonderzoek op Antarctica beperkt. Bovendien zijn veel datasets kort of incompleet zodat hun waarde voor klimatologisch onderzoek beperkt is. Volgens een recent onderzoek vertonen het Antarctisch Schiereiland en West-Antarctica een opwarmingstendens, maar op het grootste deel van Antarctica, (Oost-Antarctica) wordt geen significante temperatuurverandering waargenomen (Zhu et al 2021).

Fig. 9    Bron: Zhu et al (2021)

Zhu et al deden onderzoek naar de ERA5 reanalyses dataset van Antarctica en vergeleken die met de temperatuurwaarnemingen. Ze maakten gebruik van 41 datasets die ik hier ook als uitgangspunt zal nemen, zie figuur 9. Ik wil gebruik maken van datasets die de periode 1981-2020 omvatten en (vrijwel) compleet zijn. Met name die laatste eis doet veel stations afvallen, de stations die wel aan de eisen voldoen, 17 stuks, zijn met geel gemarkeerd. Dat zijn 8 stations op het Antarctisch Schiereiland en 9 op Oost Antarctica. De maanddata zijn afkomstig van British Antarctic Survey.

Fig.10    Data: BAS

Er ontbreken helaas temperatuurdata van West Antarctica (zie kaart figuur 8). In datareeksen van stations McMudo en Belgrano II (figuren 10) ontbreken te veel data om ze te gebruiken.

Fig.11    Bron: SCAR (Scientific Committee on Antarctic Research)

De kaart van figuur 11 laat de ligging zien van de 17 gebruikte stations. De stations zijn met blauwe rondjes en zwarte letters aangegeven. Opvallend is dat 6 van de 8 stations op het Schiereiland zich buiten de Zuidpoolcirkel bevinden. Het dagrecord uit het KNMI bericht op station Esperanza ligt ver buiten de zuidpoolcirkel: alleen station Orcada ligt nog verder. Wat opvalt is dat het met name op het noordelijk deel van het Antarctisch Schiereiland wemelt van de onderzoekstations (rood en blauw), terwijl West- en Oost-Antarctica vrijwel leeg zijn. Dat heeft te maken met de goede toegankelijkheid van deze regio.

Fig.12    Data: SCAR

Figuur 12 toont het verloop van de gemiddelde jaartemperatuur van de 8 stations op het Antarctisch Schiereiland. De gemiddelde temperatuurstijging op de 8 stations in de periode 1981 t/m 2020 is +0,6 °C. Vergelijk dat met de uitspraak in het KNMI artikel: “…het noordelijkste deel van Antarctica, waar de temperaturen de afgelopen vijftig jaar met zo’n 3 °C zijn gestegen”. Weliswaar heb ik over een periode van 40 in plaats van 50 jaren gemeten, maar het verschil tussen 0,6 °C en 3 °C  is daar niet door te verklaren.

Fig. 13    Data: SCAR

Van Esperanza is de beschikbare temperatuurreeks wat langer. Figuur 13 toont het verloop van de gemiddelde jaartemperatuur van 1970 t/m 2019. Tussen 1970 en 2019 nam de temperatuur op Esperanza toe met 1,5 °C. Esperanza is met zijn ligging op het noordelijkste puntje van het Schiereiland het minst koude plekje van het Schiereiland, maar zelfs hier blijft die opwarming beperkt en is maar de helft van de 3 °C die het KNMI claimt voor het gehele Schiereiland. Van de 8 onderzochte stations op het Antarctisch Schiereiland is alleen San Martin harder opgewarmd dan Esperanza.

Fig.14    Data: SCAR

Figuur 14 laat de gemiddelde temperatuurontwikkeling zien van de 9 stations op Oost-Antarctica. Doordat met name de datareeks van Vostok incompleet is vertoont de grafiek ‘gaten’. Het temperatuurverloop op Oost-Antarctica vertoont geen opwarming en is zelfs licht negatief.

Fig.15    Data: SCAR

De grafiek van figuur 15 toont de gemiddelde jaartemperatuur van 8 stations op Oost-Antarctica als de incomplete reeks van Vostok verwijderd wordt. Dezelfde conclusie: het temperatuurverloop op Oost-Antarctica vertoont geen opwarming en is zelfs licht negatief.

Conclusie: met het ‘smeuïge’ verhaal over het dagrecord op Esperanza gaat het KNMI  volgens mij buiten zijn wetenschappelijke boekje. De suggestie wordt gewekt dat die 18,3 °C gemeten op de zomermiddag van 6 februari 2021 op Esperanza iets te maken heeft met de klimatologie van het gehele continent. Dat is onzin. Het KNMI-artikel is daardoor meer een activistisch pamflet dan een objectief informerend verhaal zoals je dat van het KNMI mag verwachten.

Het KNMI suggereert in haar bericht ten onrechte  dat het dagrecord op Esperanza iets te maken heeft met mogelijk grootschalig afsmelten van het Antarctische landijs, en daarmee met een toename van de zeespiegelstijging die een gevaar vormt voor Nederland. Van grootschalig smelten van het Antarctische landijs is echter geen sprake. Dat de snelheid waarmee de zeespiegel voor de Nederlandse kust stijgt  een goede graadmeter zou kunnen zijn voor de snelheid waarmee het  Antarctisch landijs smelt is op zich correct. Alleen: de absolute zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust voltrekt zich al 120 jaar in hetzelfde tempo van nog geen 15 cm per eeuw en vertoont geen enkele versnelling. Hoe duidelijk wil je het hebben?

De extreme neerslag van 13 en 14 juli

Fig.1    Data: wow.knmi.nl

Bovenstaande grafiek toont de neerslagsom per etmaal in de periode van 12 t/m 16 juli 2021. Meteo Parkstad is een amateur weerstation in Eygelshoven, een van de 5 amateurstations die de extreme neerslag hebben gemeten. Op 14 juli tikte de neerslagmeter bijna 120 mm aan, extreem hoog voor Nederlandse begrippen. Over enkele weken zijn de data van de acht officiële KNMI neerslagstations in Zuid-Limburg bekend en dan zal waarschijnlijk een deel daarvan (in het oosten) de hoge neerslagsommen van de amateurstations bevestigen.

De zeer grote hoeveelheden neerslag die op 13 en 14 juli j.l. gevallen zijn in oostelijk Zuid-Limburg en de aangrenzende Ardennen en Eifel hebben veel vragen opgeroepen. De belangrijkste zijn hoe dit heeft kunnen gebeuren en of dit een voorteken is voor vaker dergelijke gebeurtenissen door wat men ‘klimaatverandering’ noemt. Er wordt van alles over gezegd en geschreven, en soms spreken deskundigen elkaar zelfs tegen.

Fig.2    Data: KNMI

Figuur 2 heb ik in een vorig bericht gebruikt en laat de hoeveelheid dagen en etmaalsommen zien sinds 1901 van de 13 neerslagstations die de L13 reeks genoemd worden. Te zien is dat vooral tussen 1990 en 2010 het aantal dagen met zware neerslag (≥ 50mm) toegenomen is. De dagen met extreme neerslag  (≥ 80mm) zijn geel/beige gekleurd. Opvallend is dat die extreme neerslag in een strook direct achter de kustlijn gevallen is. Dergelijke zware neerslag valt vooral in de zomer, zoals figuur 3 laat zien:

Fig.3    C.Brauer 2007

Lees verder

Neerslag in Zuid-Limburg

De afgelopen 2 dagen was er sprake van hevig neerslag in met name Zuid-Limburg. Ik schreef in het vorige bericht: “Extreme buien in de zomer ontstaan vaak vlak vóór een frontale zone. De aangevoerde lucht aan het oppervlak is vaak zeer warm, terwijl het naderende front zeer koude lucht in de hogere troposfeer aanvoert. Door de daardoor ontstane sterk instabiele atmosfeergradiënt is de vorming van zeer hoge wolken mogelijk waaruit vaak veel neerslag valt.”

Fig.1   Bron: Buienradar

De kaart in figuur 1 is afkomstig van Buienradar en toont de situatie op 14 juli 2021 om 19.45u. Een breed neerslaggebied op de grens van België en Duitsland is van noord naar zuid Zuid-Limburg gepasseerd en heeft die zware neerslag gebracht. Dat uitgestrekte gebied werd gevolgd door een smallere band met neerslag vanuit Noord Duitsland,  die gisterenavond en vandaag van N naar Z over het oosten van ons land trekt.

Fig.2    Bron: KNMI

Op de weerkaart in figuur 2 is een chaotische verzameling van fronten te zien. En fronten brengen neerslag. Voor de neerslag in Zuid-Limburg waren de paarse occlusie net ten ZO van ons land en het lagedrukgebied in Noord Duitsland van belang. De rode lijn boven het lagedrukgebied is een convergentielijn, daar botsen twee luchtstromen waardoor een sterke opwaartse stroming ontstaat. In lagedrukgebieden is van nature al een sterke opwaartse beweging van de lucht aanwezig.  In de bovenlucht boven het front (occlusie) is de lucht koud. Het gevolg is dat er vanaf het warmere oppervlak een onstabiele opbouw van de onderste luchtlagen ontstaat, als gevolg waarvan de lucht een sterk opwaartse beweging krijgt, gepaard gaande met het ontstaan van wolken die neerslag brengen.

Nu is een dergelijke situatie niet uitzonderlijk. Wat de situatie in Zuid-Limburg (en in Eifel en Ardennen) bijzonder maakt is dat het grote regencomplex maar heel langzaam beweegt. Meestal gaan frontensystemen en lagedrukgebieden met een flinke snelheid ongeveer van west naar oost over ons land heen, de afgelopen dagen bewogen de uitgestrekte regengebieden opvallend langzaam, waardoor er grote hoeveelheden neerslag in dezelfde regio naar beneden kwamen. Ik was benieuwd wat er aan neerslag in Zuid-Limburg gemeten was.

Fig.3    Bron: KNMI

De kaart in figuur 3 toont de neerslagstations in Zuid-Limburg. Daarvan is er slechts 1 een officieel KNMI station, namelijk Maastricht Aachen Airport. De andere 6 zijn onderdeel van WOW, Weather Observations Website, een initiatief van het Britse Met Office. Dat zijn weerstations van weeramateurs die verbonden zijn met de WOW server van het KNMI. In tegenstelling tot de officiële stations zijn de meetdata van de WOW stations niet gevalideerd, maar ze geven wel een aardig beeld wat zich de afgelopen paar dagen heeft afgespeeld in Zuid Limburg. WOW station Geleen heeft overigens geen neerslagdata beschikbaar.

Fig.4    Bron: KNMI

Figuur 4 toont de neerslaggrafiek van het vliegveld. Dit is het enige officiële KNMI neerslagstation in Zuid Limburg. De staafjes in het diagram zijn 10-minuten metingen. De verticale as geeft de neerslagintensiteit per uur aan. Als voorbeeld nemen we de hoogste staaf in het diagram, die van 17.50 uur op 13 juli . Toe is in 10 minuten 6,6 mm neerslag gemeten. Om een uurmeting van 6,6 mm te krijgen moeten er dus 6 staafjes achtereen gemiddeld 6,6 mm aangeven. Dat gaat in dit geval niet lukken, zoals te zien is. Overigens ontbreken in de data van Maastricht Aachen Airport op 13 en 14 juli maar liefst 6,5 uur aan data. Het grootste gat in de data loopt op 14 juli van 15.30 tot 18.10 uur. De WOW stations vertonen datzelfde gat van bijna 3 uren in hun data, dat kan het gevolg zijn van de WOW-server die onbereikbaar was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fig.5    Bron: KNMI

Figuur 5 toont de neerslaggrafieken van de 6 WOW-stations in het gebied. Let op: de schaal van de y-as varieert van grafiek tot grafiek! Van alle stations heb ik de etmaalsom van de neerslag berekend voor beide dagen en die boven de grafiek geplaatst. Met name woensdag 14 juni was een zeer natte dag: de stations in Mechelen, Heerlen en Eygelshoven noteren etmaalwaarden van boven de 100 mm!

Wat verder opvalt is dat met name het oostelijk deel van Zuid-Limburg getroffen is door zware neerslag. De etmaalgegevens van Maastricht Aachen Airport en Sittard scoren opvallend ‘laag’. Voor wat betreft de data van de 6 WOW stations is een waarschuwing wel op zijn plaats. De data zijn uiteraard door de eigenaren met zorg verzameld, maar de cijfers zijn en worden niet gevalideerd. Zowel de apparatuur als ook de locaties van de stations voldoen niet aan de eisen van de WMO. Dat neemt niet weg dat de cijfers van 5 WOW stations laten zien dat er zeer veel neerslag gevallen is! En dan te bedenken dat op alle stations bijna 3 uren aan neerslagdata op 14 juli ontbreken.

Ik ben benieuwd of de data van het enige officiële station, Maastricht Aachen Airport, nog gecompleteerd kunnen worden. Wat bovenstaande mooi laat zien is dat er in een gebied als Zuid-Limburg vooral veel niet officieel gemeten wordt. De data van de luchthaven laten in elk geval op geen enkele manier zien hoe hard het in het oostelijk deel van de regio geregend heeft.

Natuurlijk waren sommige klimaatalarmisten er als de kippen bij om op tv de hevige neerslag te relateren aan ‘klimaatverandering’. Maar dat is echt te makkelijk denk ik. In de Middeleeuwen werden natuurrampen zonder uitzondering aan de duivel toegedicht, tegenwoordig aan klimaatverandering. Verwijzing naar de wetmatigheid dat warmere lucht meer vocht kan bevatten waardoor er ook meer regen uit kan vallen, gaat in dit geval niet op. De maximum temperaturen in heel West Europa waren de laatste weken zeker niet hoog, en met de luchtvochtigheid was ook niets uitzonderlijks aan de hand.  Overigens is de neerslag in Zuid Limburg (gelukkig) geen ramp geworden, er is niemand omgekomen.

Fig.6    Bron: Telegraaf

Bovenstaande figuur laat zien hoe grillig het weer kan zijn en hoe lastig het daarom is om het weer te voorspellen. Op 27 juni kopte de Telegraaf nog (overigens op instigatie van Weeronline) dat juli droger, zonniger en warmer dan normaal zou worden. Het kan verkeren!

Neerslag in Nederland

Fig.1    Bron: Volkskrant

Bovenstaande kop sierde onlangs een artikel in de Volkskrant. Aanleiding voor het artikel was waarschijnlijk de recente sterke neerslag op een aantal plaatsen in ons land. Om te bezien of de kop correct is ben ik in de neerslagcijfers van het KNMI gedoken. Het KNMI  verzamelt dagelijks van 320 neerslagstations de etmaal meetgegevens. Die stations zijn deels van het KNMI, maar de meeste van die stations worden bemand door geaccrediteerde vrijwilligers. Verder heeft het KNMI 34 automatische neerslagstations, waar vrijwel real time data dorgegeven worden aan het KNMI. En dan zijn er ook nog 350 ‘historische’ neerslagstations die ooit data leverden. Veel van die data is makkelijk via het internet bereikbaar voor geïnteresseerden.

Fig.2    Data: KNMI

Om trends te kunnen ontdekken in de neerslag is het van belang om stations te kunnen gebruiken die al heel lang actief zijn en die een –liefst volledige- datareeks leveren. Het Volkskrantartikel maakt gebruik van 13 stations, R13 genaamd.  Die R13 is nergens te vinden; contact met een KNMI medewerker maakt duidelijk dat het om L13 gaat. Figuur 2 toont de ligging van de neerslagstations in het ensemble L13. Van de 13 meetreeksen zijn er 2 samengesteld uit data van meerdere stations. Zo vormen de data van Den Helder en De Kooy één reeks, net zoals Westdorpe en Axel. Die laatste gecombineerde reeks begint als enige in 1906 in plaats van 1901.

Fig.3    Data: KNMI

Figuur 3 toont het verloop van de jaarlijkse neerslag volgens de L13 stations vanaf 1901. De trendlijn laat zien dat gedurende de periode 1901-2020 de lineaire trend +192 mm is. Over de gehele periode is er dus sprake van een flinke toename van de neerslag. Vooral in eerste helft van de 20e eeuw viel er aanmerkelijk minder neerslag dan daarna. Bezien we de tendens gedurende de laatste decennia dan is er echter sprake van een flinke afname vanaf eind jaren ’90 met meer dan 50 mm. Om het sterk volatiele signaal beter te kunnen analyseren is er in de grafiek een zogenaamde Loess smoothing toegepast.

Fig.4    Bron: KNMI

De grafiek in figuur 4 laat zien dat vanaf de maand mei de hoeveelheid neerslag toeneemt terwijl de gemiddelde duur van de neerslag laag blijft. Neerslag-extremen ontstaan gewoonlijk door twee meteorologische verschijnselen, namelijk door passage van fronten die samenhangen met depressies, en door plaatselijke buien als gevolg van sterke lokale verticale bewegingen in de atmosfeer. Hevige neerslag komt  meer in de zomer voor als gevolg van sterke opwarming met als gevolg  versterkte convectie.

Fig.5    Bron: KNMI

Extreme buien in de zomer ontstaan vaak vlak vóór een frontale zone. De aangevoerde lucht aan het oppervlak is vaak zeer warm, terwijl het naderende front zeer koude lucht in de hogere troposfeer aanvoert. Door de daardoor ontstane sterk instabiele atmosfeergradiënt is de vorming van zeer hoge wolken mogelijk waaruit vaak veel neerslag valt. De weerkaart van figuur 5 toont de situatie op 28 juni 2011, toen in Herwijnen binnen een uur 79 mm neerslag viel.

Het KNMI schrijft: “Op grond van de opwarming van de aarde, en de daarmee gepaard gaande toename van de hoeveelheid vocht, wordt een verdere intensivering van de neerslag verwacht. Dit leidt tot zwaardere extremen en het vaker voorkomen van extreme hoeveelheden neerslag. Toenames hangen af van de wereldwijde opwarming, de verandering in stromingspatronen en ook het type neerslag extreem. Als vuistregel geldt dat de intensivering ongeveer de hoeveelheid vocht volgt met 7 procent per graad, maar afwijkingen van deze regel kunnen substantieel zijn”.

Voorzichtigheid is dus geboden om de luchttemperatuur een op een toe te passen op de neerslagdata van Nederland, met name vanwege luchtcirculatie en de ligging aan zee. Maar ook de toegenomen verstedelijking zal waarschijnlijk een rol van betekenis spelen.

Fig.6    Data: KNMI

Voor de bestudering van extreme neerslag zijn er twee typen data voorhanden: de etmaalsommen en de uursommen. In dit bericht zal het gaan over de etmaalsommen. Om van een etmaal met zware regen te spreken moet er volgens het KNMI op minstens één van de officiële weerstations 50 millimeter of meer zijn gevallen. Zulke zware buien komen vooral ‘s zomers voor, maar soms ook in andere jaargetijden. De grafiek van figuur 6 toont voor de L13 reeksen het aantal dagen per jaar dat er op een of meer van de stations een etmaalsom van ≥ 50mm is gevallen.

De grafiek laat een paar interessante dingen zien. In de eerste plaats valt op dat vanaf 1990 er in het L13 ensemble er meer dagen geteld worden met ≥50mm neerslag dan voorheen. Dat lijkt de hypothese te bevestigen dat een hogere temperatuur  en dus hogere luchtvochtigheid tot zwaardere neerslag leidt. Het tweede dat opvalt is dat de natste dagen niet steeds natter worden.

Fig.7    Data: KNMI

De grafiek van figuur 7 toont van de L13 neerslagreeksen het aantal dagen per decennium dat de neerslag ≥ 50mm was. De grafiek toont een piek in de periode 1951-1960 en in de decennia 1991-2000 en 2001-2010. De periode 2011-2020 heeft opvallend genoeg relatief lage waarden, vergelijkbare met de decennia 1941-1950 en 1961-1970. Het is daarom interessant om te bezien hoe de zware neerslag zich de afgelopen decennia  in de L13 neerslagstations heeft ontwikkeld.  Figuur 6 liet zien dat er gedurende de afgelopen 3 decennia er meer dagen zijn geweest met zware neerslag dan in de periode daarvoor. Ik was benieuwd of dat ook voor elk station afzonderlijk geldt.

Fig.8     Data: KNMI

Figuur 8 laat voor De Bilt voor elk decennium zien hoeveel dagen er waren met zware neerslag. De Bilt toont in de laatste decennia geen toename van het aantal dagen met zware neerslag.

Fig.9    Data: KNMI

Van de overige 12 stations van L13 zijn er 5 die een verhoging van het aantal zeer natte dagen in de laatste 3 decennia laten zien. Op een na (Winterswijk) zijn dat stations die niet ver van zee liggen. Het lijkt er dus op dat bij de toename van het aantal dagen met zware neerslag er sprake is van een kusteffect. Bij 2 van de 13 stations, Kerkwerve en West-Terschelling, is er ook sprake van een toename van de neerslaghoeveelheden.

Fig.10    Data: KNMI

Figuur 10 geeft voor De Bilt de gemiddelde temperatuur per jaar met smoothing.  Hogere temperaturen leiden tot meer verdamping en dus tot grotere luchtvochtigheid. Maar zo makkelijk is het niet, daar wijst het KNMI ook op. Vergelijking we figuur 8 (temperatuur) met figuur 3 (neerslag L13) en bepalen we de correlatiecoëfficiënt R kwadraat tussen beide reeksen, dan is r2=0,1, dus erg laag. Het lijkt er dus op dat de correlatie tussen neerslag en temperatuur vooral bestaat uit het feit dat beide grafieken een opwaartse trend laten zien. Met name de opvallende daling van de neerslag de afgelopen 20 jaren is opvallend vergeleken met de stijging van de temperaturen in dezelfde periode.

In figuur 6 liet ik zien wat er in de afgelopen 120 jaren gebeurde met de dagen met zware neerslag (≥ 50mm) in de stations van L13. Daarbij viel op dat het aantal dagen in de L13 stations met zware neerslag (>50 mm) na 1990 toegenomen is. Maar is de intensiteit van de zware neerslag, dus de neerslaghoeveelheid, ook toegenomen? Daarvoor heb ik voor de L13 stations per jaar voor elk etmaal met zware neerslag de neerslagsom gedeeld door het aantal etmalen. Het resultaat is de gemiddelde intensiteit van de zware neerslag per jaar:

Fig.11  Data: KNMI

De grafiek laat zien dat er in het decennium 2001-2010 drie jaren zijn met een hogere intensiteit dan  tot dan toe. Dat zijn in 2001 West-Terschelling met 91 mm, 2004 Kerkwerve met 83,2 mm en in 2008 Den Helder/De Kooy met 83,5 mm. Voordien was het record uit 1901 met 80,3 mm op West-Terschelling.

Kijken we naar alle etmalen waarin hevige neerslag (≥ 80mm) gevallen is dat ziet dat er zo uit:

Fig. 12    Data: KNMI

De dagen met ≥ 80mm neerslag zijn met een afwijkende kleur en met de naam van het station weergegeven. Vergelijking van deze grafiek met figuur 2  laat zien dat de stations met ≥ 80mm neerslag alle op korte afstand van de kust gelegen zijn. Er lijkt sprake van een samenhang tussen de extreme neerslag en afstand tot de kust.

Conclusies: de kop boven het Volkskrantartikel is deels onjuist en deels juist. Onjuist is dat hevige neerslag jaarlijks toe zou nemen. Er is wel sprake van een opwaartse trend vanaf 1901, maar de fluctuaties zijn erg sterk. De decennia met de meeste dagen met zware neerslag zijn 1951-1960, 1991-2000 en 2001-2010. Dat betekent dat er naast de toename van de temperatuur ook andere factoren een belangrijke rol spelen in de neerslagcijfers van Nederland. Ik denk dan vooral aan de toename van de westenwind.

Juist is dat er ‘meer natte dagen’ geteld worden in West Nederland (vooral Zuid-Holland) maar ook Zuid-Limburg doet daar in mee zoals we onlangs weer zagen. Voor Zuid-Limburg is de oorzaak de relatief hoge ligging die extra neerslag veroorzaakt. Het reliëf kan dan voor wateroverlast zorgen. Voor Zuid-Holland stelt het KNMI: “  De verstedelijking en de nabijheid van de Noordzee spelen waarschijnlijk een rol voor Zuid-Holland.“ Wat dat laatste betreft: de data van de L13 stations in dit bericht tonen aan dat er duidelijk sprake is van een kusteffect.

Nieuwe kerncentrales of komende Europese armoede

Fig.1    Bron: KPMG

KPMG heeft in opdracht van de Tweede Kamer een onderzoek uitgevoerd  naar de mogelijkheden voor nieuwe kerncentrales in Nederland. Het rapport daarover is gisteren uitgebracht en kan hier gedownload worden. De drie hoofdvragen zijn:

1             Onder welke voorwaarden zijn nationale en internationale marktpartijen bereid te investeren in kerncentrales in Nederland?
2             Welke publieke ondersteuning is daarvoor nodig?
3             In welke regio’s is er belangstelling voor de realisatie van een kerncentrale?

Het liefst hadden de marktpartijen 4e generatie kernreactoren, in SMR (modulaire opbouw). Maar die 4e generatie is er nog lang niet, en de SMR opbouw laat ook nog wel even op zich wachten. Daarom benadrukt een overgroot deel van de marktpartijen het belang van het kiezen voor bewezen technologie die voldoet aan de geldende veiligheidseisen, waarbij er brede consensus is om voor een generatie-III+ reactor te kiezen.

De mogelijke locaties zijn (waren): de Eemshaven,  Maasvlakte I en Borssele. Eemshaven (Groningen) is recentelijk bij motie van de Tweede Kamer komen te vervallen. Blijven over Borssele (meest kansrijk), Maasvlakte I en sinds kort ook West-Brabant (Moerdijk/Geertruidenberg). Download het rapport om alles te kunnen lezen.

Enfin, men ziet kansen voor nieuwe kerncentrales in Nederland. Een van de voorwaarden is natuurlijk wel dat we dat allemaal kunnen betalen. En als de plannen van Europese Commissie doorgaan die zojuist zijn vrijgegeven waag ik dat te betwijfelen. Nu de Europese Commissie nog nooit vertoonde maatregelen aankondigt  (einde productie benzine en dieselauto’s,  CO2-belasting, noodfonds voor arme mensen et cetera) is het zonneklaar dat wat eens het belangrijkste doel van de Europese samenwerking was, namelijk welvaartsstijging voor iedereen, vervangen is door het ‘redden van het klimaat’ ten koste van alles. Ik denk dat dit de bijl is aan de wortels van de EU, want wie wil er nu lid blijven van een armoede-unie? Zie het Volkskrantartikel hieronder.

Fig.2    Bron: Volkskrant

Massale boskap in USA voor Europese CO2 doelen

Bron: CNN

Zo’n acht jaar geleden opende ‘s werelds grootste biomassaproducent, Enviva, zijn tweede fabriek in Noord-Carolina, USA. Enviva is een van de meer dan 10 gelijkaardige bedrijven die hun voordeel halen uit een ‘duurzaamheids’-maatregel die door de EU is ingevoerd.
Het bedrijf gebruikt voornamelijk hardhouten bomen en verkoopt de stammen en houtpellets als biomassa aan Europese biomassacentrales.

Dat is het gevolg van een besluit van de Europese Unie dat steenkolen niet meer gebruikt mogen worden om elektriciteit en warmte op te wekken, maar bomen wel. Op papier (van de EU) stoot het verbranden van hout namelijk geen CO2 uit, maar in werkelijkheid stoten biomassacentrales meer CO2 uit dan steenkolencentrales. Niet alleen is het dus onzin om in het kader van CO2-reductie steenkool in te ruilen voor hout, maar ook het kappen van enorme oppervlakten bos is volstrekt onverantwoord. Dat gebeurt in de Europa, (vooral in de Baltische staten) maar ook op grote schaal in het oosten van de USA.

CNN maakte onlangs een reportage over het produceren van biomassa in North Carolina en het kappen van bossen. Dat is bijzonder, omdat CNN niet te boek staat als criticaster van klimaatalarmisten. Maar in dit geval is men te ver gegaan, veel te ver. Lees en/of bekijk het videootje via de link, het is indrukwekkend. En bestrijd biomassacentrales en andere doldwaze plannen van klimaatalarmisten.

Klik hier voor de link.

 

 

De stralingsbalans en wolken

In het bericht van 12 juni 2021 besteedde ik aandacht aan de rol van wolken in de stralingsbalans van de aarde. Daarbij maakte ik onder andere gebruik van recente satellietdata  van het CERES project. Die data zijn de moeite waard om nogmaals bekeken te worden.

Fig. 1    Bron: CERES

Figuur 1 toont de energiebalans van de aarde. Bovenaan de figuur is Top Of Atmosphere (TOA)  aangegeven, de grens tussen atmosfeer en de ruimte. De CERES-satellieten meten de inkomende en uitgaande straling aan de TOA. Dat zijn de Incoming Solar Radiation, hier SW Sun genoemd, de Reflected Solar Radiation  (SW Out),  en de Outgoing LW Radiation (LW Out).

SW Sun is op langere termijn constant maar schommelt jaarlijks licht. In de periode 2001-2020  tussen 339,9 W/m2 en 340,2 W/m2, gemiddeld 340 W/m2. SW Sun minus SW Out noem ik SW Absorbed en is de energie die geabsorbeerd wordt door het aardse systeem, dus door aardoppervlak en atmosfeer.

Fig.2     Data: CERES

Het roze gekleurde vlak tussen SW Sun en SW Out is het deel dat door het aardse systeem geabsorbeerd wordt. Het is de energiebron voor vrijwel alle processen aan het aardoppervlak en in de atmosfeer. Zoals gezegd is SW Sun op langere termijn bezien constant, maar dat geldt niet voor SW Out:

Fig.3    Data: CERES

Figuur 3 toont dat SW Out van 2001 t/m 2020 een negatieve trend heeft van  -1,4 W/m2. Dat betekent dat de SW Absorbed, de energie die opgenomen wordt door het aardse systeem, is toegenomen met 1,4 W/m2. Het aardse systeem (oceanen + aardoppervlak + atmosfeer) warmt dus tussen 2001 en 2020 op doordat meer zonlicht dan voorheen het aardse systeem bereikt.

De eerste wet van de thermodynamica  (wet van behoud van energie) vereist dat de zonne-energie geabsorbeerd door het aardse systeem gelijk is aan de energie die door het aardse systeem de ruimte in wordt gezonden. Op langere termijn zijn netto inkomende en uitgaande straling (SW Absorbed en LW Out) dus gelijk, maar meestal is er sprake van een lichte onbalans vanwege vertragende effecten binnen het aardse systeem.

Fig.4    Data: CERES

Figuur 4 laat de onbalans zien tussen die binnenkomende en uitgaande straling. De balans voor het aardse systeem is positief want over de periode 2002 t/m 2020 wordt er meer energie door het aardse systeem geabsorbeerd dan dat er als LW Out naar buiten gaat. Er is sprake van een vertraging in LW Out. Een belangrijke oorzaak daarvan is dat 70% van het aardoppervlak uit water bestaat, dat een groot deel van de binnenvallende energie absorbeert. Anders dan op het continent waar slechts een zeer dun laagje opgewarmd wordt, wordt in zeeën en oceanen vanwege de fysische eigenschappen van het water (goed doorzichtig, grote warmtecapaciteit en stromingen) de kortgolvige straling in een laag water van enkele kilometers dik geabsorbeerd en omgezet in warmte.

Fig.5    Bron: ClimateExplorer/NODC

Figuur 5 toont het effect van die opslag van warmte in de bovenste 700m van de oceaan op de gemiddelde temperatuur en heat content van die laag water. Bedenk dat de grafiek pas vanaf 2005 betrouwbaar is vanwege de toepassing van Argo boeien. De SST (sea surface temperatuur, zie figuur 6) reageert weliswaar sneller op veranderingen in de stralingsbalans aan het aardoppervlak dan de temperatuur van de onderliggende 700m, maar trager dan het land. Bij absorptie van SW op het land wordt slechts het dunne (enkele mm tot cm) bovenste laagje van de aardkorst verwarmd. Dat gaat vrijwel real time met de invallende SW straling. ’s Nachts koelt dat verwarmde laagje weer snel af, voornamelijk door LW uitstraling.

Fig. 6    Data: ClimExpl/NCEP/Hadcrut

Op zee dringt de extra zonne-energie enkele tientallen meters diep het water in. De geabsorbeerde straling wordt omgezet in warmte en uiteindelijk (vooral) door circulatie over een vele honderden meters dikke laag water verspreid, waardoor de temperatuur aan het wateroppervlak traag reageert. Zeeën en oceanen werken op deze manier als buffer voor de geabsorbeerde (extra) energie. Figuur 6 laat zien dat tussen 2005 en 2020 de SST op aarde daardoor met 0,28 °C is toegenomen, ongeveer 2,5x sneller dan de gemiddelde temperatuur (0,11 °C)  van de laag 0-700m diepte.  Het gevolg van dit alles is dat de LW Out vertraagd reageert op een toename van SW Absorbed. Men gaat ervan uit dat de oceanen meer dan 90% van de toename in energie opgenomen hebben tussen 1971 en 2010 (IPCC AR5).

De stralingsfluxen aan TOA worden vaak als statisch beschouwd, de afname van SW Out die CERES sinds 2001 waarneemt wordt daarom vaak genegeerd. Het is om die reden begrijpelijk dat de temperatuurstijging van de SST sinds 2005 met 0,28 °C (figuur 6) in de klimatologie dan ook grotendeels toegeschreven wordt aan de toename van de neerwaartse langgolvige straling (LW Down) als gevolg van het toegenomen broeikaseffect. Dat laatste is vreemd omdat infrarode straling het water nauwelijks binnen kan dringen.

Fig.7    Bron: Wong et al 2018

De penetratiediepte van LW Down vanuit de atmosfeer in water is hooguit 0,1 mm zoals figuur 7 laat zien. Dat bovenste extreem dunne laagje dat de LW Down energie opneemt is de thermal skin layer (TSL). De figuur is afkomstig van een onderzoek door Wong et al (2018) naar de invloed van IR straling op de opwarming van oceanen. De onderzoekers concluderen dat het warmteverlies via het grensvlak tussen lucht en zee door het TSL wordt gecontroleerd.

De hypothese van Wong et al is dat de TSL zich aanpast als reactie op variaties in de invallende IR-straling om het warmteverlies aan het oppervlak te handhaven. Hierdoor wordt de warmtestroom vanuit de diepte gemoduleerd en de warmte-inhoud van het bovenste oceaanwater beheerst. Deze hypothese werd getest aan de hand van de toename van inkomende LW straling uit wolken en de analyse van verticale temperatuurprofielen in de TSL uit emissiespectra van het zeeoppervlak  (figuur 8). De extra energie uit de absorptie van de toenemende IR-straling past de kromming van het TSL temperatuurprofiel zodanig aan dat de opwaartse geleiding van warmte uit de diepte van de oceaan naar het TSL wordt verminderd. Er wordt dus meer warmte onder de TSL vastgehouden, wat leidt tot de waargenomen toename van de warmte-inhoud van het bovenste deel van de oceanen.

Fig.8    Bron: Wong et al 2018

De toename de afgelopen decennia van de temperatuur in de laag oceaanwater van 0-700m is volgens Wong et al dus niet het gevolg van toenemende LW down die de OHC verwarmt, maar van een blokkering van warmtetransport van OHC naar boven als gevolg van een toenemende LW down in de TSL.

In de periode 2001-2020 laten de CERES-cijfers zien dat de gemiddelde albedo van het aardse systeem 29,2 % was, iets lager dan de 30 % die algemeen wordt gebruikt. Men gaat er van uit dat ongeveer de helft van de albedo toegeschreven kan worden aan wolken, de andere helft aan reflectie aan het aardoppervlak. Het lijkt aannemelijk dat de afname van SW Out tussen 2001 en 2020 (zie figuur 3) vooral het gevolg is van de afname van wolk-albedo.

Fig.9    Data: ClimateExplorer/Eurometsat

Figuur 9 toont de afname van de totale bewolkingsgraad op aarde van 2002 t/m 2018, op basis van de meetdata van Advanced Very-High-Resolution Radiometer (AVHRR) instrumenten aan boord van Europese en Amerikaanse satellieten. De afname is ruim 1,2 W/m2, per decennium is dat 0,72 W/m2.

Fig.10    Bron: Climate4you/ISCCP

De  ISCCP data in figuur 10 maken een onderscheid tussen low, middle en high level clouds. De grafiek laat zien dat de bedekking van low level clouds, die netto sterk afkoelend werken, sinds de jaren ’80 met 4 % is afgenomen. Dat verklaart waarschijnlijk de afname van SW Out aan de TOA en bijgevolg de toename van SW Absorbed.

De onbalans in de CERES-data tussen SW Absorbed en LW Out liep tussen 2001 en 2020 op van 0,38 W/m2 naar 1,1 W/m2. Als we er van uitgaan dat voor elke W/m2 verandering in het verschil tussen inkomende en uitgaande straling en onder de voorwaarde dat alle andere factoren in ons klimaatsysteem gelijk blijven de oppervlaktetemperatuur op aarde met 0,3 K verandert (bron Ad Huijser), dan is de toename in de onbalans tussen 2001 en 2020 al goed voor 0,72 x 0,3 = 0,22 °C opwarming.

Fig.11    Bron: University of Washington (State)

Tot slot toont figuur 11 een  interessante grafiek van de invloed van low clouds, high clouds en clear skies op de atmosfeergradiënt, het verloop van de temperatuur met de hoogte. Let op het grote verschil in temperatuur-effect tussen lage (afkoelende) en hoge  (opwarmende) bewolking.  Tussen all sky (Average Cloud) (288 K, 15 °C) en clear skies (300 K) zit 12 K (12 °C) verschil. Dat betekent dat het netto effect van bewolking op de temperatuur aan het aardoppervlak afkoelend is. Het is daarom opmerkelijk dat vrijwel alle klimaatmodellen uitgaan van een netto opwarmend effect van wolken.