Drijfijs

northwest passage

Op 21 augustus 2008 schreef het NRC: ” Voor het tweede achtereenvolgende jaar ligt de noordwestelijke doorvaart open voor scheepvaartverkeer. De Canadian Ice Service heeft dat vorige week bekend gemaakt. De doorvaart loopt tussen Canadese eilanden en verbindt de Atlantische met de Grote Oceaan; dat de doorvaart vrij is kwam voorheen slechts hoogst zelden voor. Dit jaar is hij nog niet helemaal ijsvrij, maar dat is een kwestie van tijd. Het ijsverlies bevestigt de opwarming van het noordpoolgebied. Volgens analyses van de Amerikaanse National Snow and Ice Data Center is er dit jaar opnieuw ongekend weinig zeeijs rond de noordpool, al zal het historische minimum van 2007 waarschijnlijk niet bereikt worden.”

khlebnikov

Jammer dat de Canadian Ice Service zich baseerde op remote sensing beelden en niet op ervaringen van schepen op deze route. Remote sensing-beelden geven weliswaar globale beelden van de omvang van drijfijs, maar onvoldoende informatie over de dikte van het ijs aan de randen.

Dat het met de bevaarbaarheid van de Northwest Passage tegenviel in 2008 mochten we vernemen van em. hoogleraar Prof.Dr. Ir. S.H.A. Begemann  van de TU Eindhoven, die toevallig in deze periode in de Northwest Passage op expeditie was. Op een Russische ijsbreker, de Kapitan Khlebnikov wel te verstaan (zie de foto hiernaast).

Conclusie van Prof. Begemann: ” In en rond de Northwest Passage kwamen wij aan het einde van het zomerseizoen nog zoveel ijs tegen dat een gewoon schip daar nog niet doorheen kan.”   Lees de bevindingen van prof. Begemann in:“Rondje Noordpoolvaren? Nee dus!”

Jammer ook dat de media het “nieuws” van de “ijsvrije” Northwest Passage oneindig van elkaar kopieerden zonder de feiten te checken. Geen enkele correctie is er verschenen in de reguliere media.Hoe bijzonder is een bevaarbare Nortwest Passage eigenlijk? Hier een lijstje met geslaagde pogingen (met dank aan Wikipedia):

1906:  Roald Amundsen
1940:  Henry Larsen
1944:  Henry Larsen
1957:  United States Coast Guard cutter Storis
1969:  SS Manhattan
1977:  Willy de Roos
1984:  MS Explorer
2000:  Patrol boat Nadon
2001:  Jarlath Cunnane
2003:  Richard and Andrew Wood
2007:  Sébastien Roubinet
2008:  ——————————
drijfijsopp

Overigens is er geen twijfel over het feit dat de totale oppervlakte aan drijfijs op de Noordpool het afgelopen decennium kleiner was dan in de dennia daarvoor. Op bovenstaande figuur van het National Snow And Ice Data Centre is die afname duidelijk te zien. Met name de oppervlakte zomerijs is in 2007 en 2008 lager dan het langjarig gemiddelde. Maar ook de blauwe lijn, die de situatie in 209 tot halverwege augustus weergeeft, komt niet meer in de buurt van het recordjaar 2007. Het lijkt erop dat 2007 een uitzonderlijk jaar is geweest. Voorlopig is er geen sprake van een doorzetten van de smelt van het arctische drijfijs.

Dat  prof. Begemann in augustus 2008 op de ijsbreker met moeite door het drijfijs kwam, terwijl Sébastien Roubinet met zijn catamaran in 2007 de Northwest Passage nam, kwam doordat het oppervlak ijs in de zomer van 2008 zo’n 10% groter was dan in 2007.

Hieronder staan 3 figuren die de spreiding van het drijfijs weergeeft op 7 september 2007, 2008 en 2009. De gegevens zijn afkomstig van de Polar Research Group van de University of Illinois.

drijfijs 2007 2008 2009

Natuurlijk is de afname van het zomerse drijfijs onmiddellijk toegeschreven aan het versterkte broeikaseffect. Maar in 2008 kwam de wetenschap toch met andere berichten. De afname van het zomerijs was een gevolg van iets anders: een hardnekkig hogedrukgebied in Alaska tegenover een lagedrukgebied in Oost-Siberië. Daardoor stroomde betrekkelijk zachte lucht relatief lang ongestoord van warmere streken het poolgebied binnen.

Dat een veranderend drukpatroon voelbare gevolgen kan hebben ondervinden we de laatste jaren ook in Nederland. De bovengemiddelde opwarming van Nederland wijt het KNMI vooral aan een kleine verschuiving in de luchtdrukverdeling boven Europa. Daardoor zijn de zomers warmer en droger, de winters milder en natter geworden. ( Volkskrant 20 september 2008 )
seaice_threepanel2009_5

De 3 grafieken hiernaast  tonen achtereenvolgens de drijfijs-anomalie van 1979 tot juni 2009 van achtereenvolgens de gehele aarde, het zuidelijk halfrond en het noordelijk halfrond.

Er vallen 3 dingen op:

1)  De gemiddelde oppervlakte aan drijfijs is in deze periode nauwelijks veranderd.

2)  De totale oppervlakte aan drijfijs is op het zuidelijk halfrond toegenomen.

3)  De totale oppervlakte aan drijfijs is op het noordelijk halfrond afgenomen.

Wat veroorzaakte het grote ijsverlies in de Noordelijke IJszee in 2007? Uiteraard was de eerste berichtgeving dat dit het gevolg was van het versterkt broeikaseffect, maar al gauw  kwamen de eerste resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de uitzonderlijke daling van het ijsoppervlak.

De belangrijkste oorzaak van de sterke afname waren afwijkende weerpatronen in het Arctische gebied. Een anticyclonaal patroon, dat in juni 2007 boven de centrale Noordelijke IJszee ontstond, bleef maar liefst 3 maanden liggen ( Gascard 2008 ). Dit systeem was gekoppeld aan een systeem van lagedrukgebieden boven Centraal en West Siberië. Hierdoor ontstond een  constante zuidelijke stroming die de temperaturen ten noorden van Siberië flink deed oplopen. Die hoge temperaturen als gevolg van de aanvoer van zachte lucht, gecombineerd met wolkenloze omstandigheden, veroorzaakten het sterke afsmelten van het ijs ( Kay 2008 ).

Zowel het luchtcirculatiepatroon als de bewolkingsgraad waren afwijking van een gemiddelde situatie, maar waren niet ongewoon. Vergelijkbare patronen waren er in 1977 en 1987. In deze jaren veroorzaakte het echter geen sterk verlies van zee-ijs zoals in 2007. Dat dit in 2007 wel gebeurde was het gevolg van het feit dat in het decennium voorafgaand het ijs elk jaar wat minder uitgestrekt en vooral ook dunner was geworden (zie de grafiek). Daardoor was het drijfijs gevoeliger geworden voor de geschetste weerssituatie ( Nghiem 2007  ).


Noordpool wordt bevaarbare zee

De Volkskrant kopt op 17 oktober 2009: “Noordpool wordt bevaarbare zee”. Het blijkt gebaseerd op een ANP-bericht waarin professor Peter Wadhams van de universiteit Cambridge aan de BBC opbiecht dat binen 10 jaar de noordroute bevaarbaar zal zijn. Wadhams is verbonden aan Cambridge University, en als zodanig geaffilieerd met de Catlin Arctic Survey, een expeditie vanaf noord-Canada naar de geografische noordpool dit jaar. Op de 435 km lange tocht heeft de expeditiegroep voortdurend de ijsdikte gemeten. Hieronder is de kaart van de route die op de site van de expeditie te vinden is. De rode lijn geeft de route weer van de expeditie, zoals weergegeven op de officiele website.

catlinroute

De expeditie begon op 1 maart 2009 en duurde 73 dagen. Het team stond onder leiding van Pen Hadow, en de route begon op 81,83ºNB en 129,97ºWL en eindigde op 7 mei 2009 op 85,45ºNB en 124,84ºWL. Dit zijn de data van de officiele website! Ik heb met een zwarte lijn de route aangegeven die volgens deze data gevolgd is. Zoals is te zien is deze aanmerkelijk korter dan de officiele kaart aangeeft, en de echte route ligt ook meer oostelijk dan de officiele kaart ons vertelt. Vreemd.

Hieronder zijn de dikten van het drijfijs en de sneeuwbedekking weergegeven:

catlin1

Net als het IPCC levert ook deze expeditie een Summary. Daarin staat te lezen:

The measurements can be summarized as follows:
• the average (mean) thickness of the ice-floes or underformed ice along the route was found to be 1.8 metres;
• the average (mean) thickness of the total ice cover when the substantial volume of ice contained in compressed ridges and rougher rubble fields increased to 4.8 metres. (In the Beaufort Sea it has been calculated that 68-73% of the volume of the total ice mass during winter is composed of deformed multi-year ice infeatures such as pressure ridges.
• The 1.8 metre ice floe thickness is within the normal range of ice thickness associated with ice formed from open water the previous summer.

Als we de site bekijken waarop de drijfijsbedekking te zien is op elke willekeurige datum, namelijk die van Polar Research Group van de University of Illinois dan valt wat op. Onderstaande figuur laat de drijfijsbedekking zien op 1 september 2008, ongeveer het moment van de minste ijsbedekking in de arctische zomer. Met een witte lijn is de expeditieroute aangegeven. Zoals te zien is loopt het grootste deel van de expeditieroute door een gebied waarop 1 september 2008 geen drijfijs aanwezig was.

catlinroute1

Geen wonder dat de expeditie grotendeels eenjarig ijs vond. Tien graden meer naar het oosten en de meetgegevens waren totaal anders geweest.

Professor Wadhams citeert uit de Summary en doet wat onheilspellende voorspellingen voor de komende decennia. Maar als men het “Ice Report –June 09 Findings and areas for further analysis” er op naslaat, dan zijn de andere wetenschappers een stuk voorzichtiger. Hier een citaat: “While it’s accepted that extreme weather conditions were one of the factors in causing the 2007 summer minimum, some believe that it is also evidence of a “tipping point” while others suggest it is part of a long term natural cycle.

The IPCC models described above as having higher certainty predict a continued ice decline slowed but not halted by cyclical behaviour.It is suspected that thermodynamic currents bringing warm water under the Arctic Ocean in the summer are partly responsible. These currents have been partially mapped but more research is needed to measure them accurately and plot their annual cycle and influence.It is also suspected that dynamic currents and winds are responsible for moving the thicker multi‐year ice out of the Arctic Ocean around the coast of Greenland and further south. The multi‐year ice areas are then replaced with First Year Ice which being thinner, and having less volume, is less likely to survive the summer thaw.

Ice Recovery in 2009? Some science partners of the Catlin Arctic Survey have suggested that the 2009 summer minimum ice extent may make a slight recovery on 2008. This is hinted at in the prediction of multi‐year ice extent made on Ron Kwok’s diagram above. And the seemingly thicker First Year Ice measured by the Catlin Arctic Survey team may also be connected to this.If this is the case, it would be evidence against the tipping point theory and the more short term predictions of ZIC. It may be a rebound after a below average decline, but it should not be mistaken for the start of a long‐term recovery in Arctic Sea Ice.The latest conclusions from the OUTLOOK group in 2008 suggest that the ice extent will decline in irreversible steps after each warmer summer, rather than following a tipping point, or exponential decline. If there does prove to be a summer minimum recovery in 2009, it should be considered in this context.”

Verdeeldheid dus onder de wetenschappers, en dat lijkt meer op zijn plaats dan het gekakel van de professor. Overigens: als de expeditie dezelfde route in 2010 nog eens over zou doen, zou men over een groter deel van de route meerjarig ijs aantreffen. De drijfijsbedekking in de zomer van 2009 was in het betreffende gebied namelijk groter dan die van 2008.

Het ANP-bericht in de Volkskrant deelt verder mee: ” Het is al langer bekend dat de ijskappen smelten, onder meer door opwarming van de aarde. De voorspelling dat de Noordpool al binnen enkele jaren in de zomer bevaarbaar is, is echter nieuw.”  De betreffende journalist weet blijkbaar niet wat het verschil is tussen ijskappen en drijfijs, dus het is hem vergeven dat hij beweert dat “de” ijskappen smelten. Een bevaarbare Noordpool is ook niet nieuw. Sterker nog: de route langs de kust van Siberie is al sinds mensenheugenis ‘s zomers bevaarbaar.


Voorspellingen doen over het Arctische drijfijs

Er zijn het afgelopen anderhalf  jaar regelmatig “” voorspellingen” gedaan over het naderend einde van het Arctische drijfijs. In het kader van het naderende onheil werden berichten verspreid die dat naderende einde moesten accentueren,  onder andere door het NSIDC over eenjarig ijs.

Maar ook waren er berichten over de bevaarbaarheid van de zogenaamde noordwestroute  (noordzijde Canada) in 2008, die naderhand onjuist bleken te zijn, zoals hiervoor is aangetoond.   Ook dit jaar (2009) opgewonden berichten dat de noordoostroute  (langs de kust van Siberië)  bevaarbaar zou zijn. Nu is dat laatste niet zo verwonderlijk, want die route is al vanaf 1935 bevaarbaar, maar het wordt wel als bijzonder item door de pers verspreid. Door beide onjuiste berichten wordt bij het publiek de indruk gewekt als zou er een bijzondere situatie zijn als gevolg van de opwarming van de aarde. Ook de berichtgeving van de Catlin Arctic Survey  (zie hiervoor) , een expeditie vanaf Noord-Canada richting de geografische Noordpool dit jaar viel in diezelfde categorie.

 

Verder zijn er vanuit diverse zijden korte- en langetermijnvisies gegeven over de ontwikkeling van het Arctische drijfijs. Voor wat betreft de langetermijnvoorspellingen zijn ze  voor zover na te gaan alle gebaseerd op voorspellingen van klimaatmodellen die in mindere of meerdere mate catastrofale toekomstbeelden schetsen over de ontwikkeling van de mondiale temperatuur.  Zoals bekend zijn de langetermijnvoorspellingen van deze modellen sterk afhankelijk van de vraag of de parameterisatie van de climate sensitivity van wolken juist in ingeschat. Alle door het IPCC gehanteerde  modellen gaan uit van een positieve feedback van wolken. Een aantal onderzoekers zet daar vraagtekens achter, gesteund onder andere door de  recente stagnatie in de stijging van de mondiale temperatuur.

De recente afname van het drijfijs met als dieptepunt 2007 werd overigens  volgens onderzoekers veroorzaakt door veranderende druk- en windvelden  ( Nghiem 2007  ).   Na 2007 is de zomerextensie van het ijs weer aangegroeid (IARC-JAXCA Information System) en was het ijsoppervlak in september aanmerkelijk groter zelfs dan in 2008.

ijs arctic 2003 2009

De kortetermijn voorspellingen zijn blijkbaar ook lastig.  DAMOCLES (Developing Arctic Modeling and Observing Capabilities for Long-term Environmental Studies) heeft  afgelopen  jaar 18 groepen wetenschappers die actief zijn in het Arctische gebied gevraagd om een voorspelling te doen over de minimale ijsextensie in 2009.  Zie Sea Ice Outlook,  Full Report.  De uitslag daarvan ziet u in de grafiek  hieronder .   Bron:  Readers-edition.

sea ice outlook

Alle voorspellingen kwamen lager uit dan de werkelijke minimale ijsextensie  op 15 september 2009. Het verschil met de beste schatting ( Kauker et al E1 ) lag  240.000 km2  lager dan de werkelijke oppervlakte, wat overeenkomt met  een gebied ter grootte van Groot Brittannië. Er lijkt een herstel in te treden in de oppervlakte Arctisch ijs, zowel voor wat betreft de winter- als de zomerextensie.  Bron:  Readers-Edition.


Na het dieptepunt in de zomer van 2007 en het herstel van het zomerse drijfijsoppervlak in 2008 en 2009  is er voorjaar 2010 een verder herstel te zien. Op de grafiek van het NCIDC is te zien dat het ijsoppervlak momenteel het langjarige gemiddelde vrijwel heeft bereikt.

De voorspellingen van klimaatalarmisten, dat het Arctische drijfijs binnen korte tijd zou zijn verdwenen, worden door de trend van de afgelopen jaren niet bevestigd, integendeel. De minimale ijsomvang wordt meestal bereikt rond half september. Op 15 september  van het vorige jaar was het ijsoppervlak ongeveer 500.000 km2 groter dan op hetzelfde moment in 2008, en  ongeveer 980.000 km2 groter dan in 2007.

Op onderstaande grafiek van het Deens Meteorologisch Instituut is de opvallende toename van het Arctische drijfijs afgezet tegen de ijsgang van de afgelopen jaren.

En ook de observaties van IARC-JAXA laten een toename van het ijs zien:

sea ice 4 2010b

 

Het NSIDC verklaarde in maart 2008:  “As reported last month, the Arctic Oscillation was in its positive phase through the winter season, associated with a wind pattern helping to flush thick ice out of the Arctic, leaving thinner ice.  This is one of the factors helping to set the stage for pronounced ice losses this summer. “

Maar het omgekeerde is wellicht ook waar:  als de Arctic Oscillation Index sterk negatief is, dan ontstaat er dik ijs dat ook in de zomer moeilijk afsmelt, Op onderstaande grafiek is goed te zien dat in de winter  2009-2010 de AO twee zeer sterk negatieve fases heeft gehad. De gevolgen voor de ijsaangroei zijn hierboven geschetst.

nao winter 2010

IJsdikte  van oud ijs op Noordpool sinds 2007 stabiel.

arctic1

De laatste jaren wordt door alarmisten gewezen op de afname van de ijsdikte van met name zogenaamd oud ijs  (meerjarig),  dat een teken zou zijn van het verdwijnen van het drijfijs.

Het lijkt er op dat ook die laatstgenoemde pijl op de boog der alarmisten zijn doel mist, als we de meeste recente publicatie (mei 2010) daarover  mogen geloven. Haas e.a. hebben in Geophysical Research Letters van deze week een onderzoek gepubliceerd naar  de ijsdikte op de Noordpool ( Haas, C., S. Hendricks, H. Eicken, and A. Herber (2010), Synoptic airborne thickness surveys reveal state of Arctic sea ice cover, Geophys. Res. Lett., 37, L09501, doi:10.1029/2010GL042652 ).

ijsdikte1

De ijsdikte wordt gemeten met behulp van een instrument dat met behulp van twee opgewekte electromagnetisch (EM) velden  de ijsdikte meet. De op deze wijze verkregen data ziijn vanaf 2001 voorhanden .  Voor wie geïnteresseerd is in de meetgegevens kan op deze site  de data vinden onder “Point data”.

Tot voor kort werden de metingen met behulp van een helikopter gedaan, hetgeen de actieradius flink beperkte. Op onderstaand kaartje zijn de diverse datavluchten weergegeven.

ijsdikte2

In april 2009 is voor het eerst gebruik gemaakt van een vliegtuig ,  dat over belangrijke regio’s van oud ijs in de Noordelijke IJszee tussen Svalbard en Alaska vloog. De actieradius nam daardoor flink toenam, en daarmee de hoeveelheid gegevens (clusters) die ter beschikking kwam zoals in onderstaand diagram te zien is.

ijsdikte3

Hieronder een grafiek die de data weergeeft van de aprilvlucht met het vliegtuig.

Diagram shows the median (black) and the 5th, 25th, 75th, and 95th percentile values for each month. The star marks the mode.

Uit de meerjarige meetgevens blijkt dat de gemiddelde dikte van oud ijs sonds 2007 weinig veranderd is,  de variatie bleef volgens de onderzoekers binnen het verwachte bereik van de natuurlijke variabiliteit. Waarmee weer een alarmistisch ballonnetje is doorgeprikt.


Arctisch drijfijs en de wind

arctic3

De afname van het Arctische drijfijs de afgelopen decennia  was volgens veel alarmisten zonder twijfel vooral het resultaat van de antropgene opwarming als gevolg van de toename van het CO2-gehalte. Julienne Stroeve e.a. concludeerden in een publicatie in 2007 dat de schattingen van de antropogene bijdrage aan de afname van het Arctische drijfijs waarschijnlijk nog groter is dan tot dan toe aangenomen:  “If the multi-model ensemble mean time series provides a true representation of forced change by greenhouse gas (GHG) loading, 33–38% of the observed September trend from 1953–2006 is externally forced, growing to 47–57% from 1979–2006. Given evidence that as a group, the models underestimate the GHG response, the externally forced component may be larger.”  ( Julienne Stroeve, Marika M. Holland, Walt Meier, Ted Scambos, and Mark Serreze, “Arctic sea ice decline: Faster than forecast”, 2007, Geophysical Research Letters, Vol. 34, L09501).

In overeenstemming met de voorspellingen van de gehanteerde klimaatmodellen dat de globale opwarming in de 21e eeuw fors zal toenemen, schrijft het  IPCC   in 2007 in zijn Summary for Policymakers: “Sea ice is projected to shrink in both the Arctic and Antarctic under all SRES scenarios. In some projections, arctic late-summer sea ice disappears almost entirely by the latter part of the 21st century.

Het ACIA, het Arctic Climate Impact Assessment, een intergouvernementele (bwa..) organisatie van landen rond de Noordelijke IJszee, heeft onlangs een rapport uitgebracht, waarin men voorspelt dat ergens tussen 2060 en 2090 het drijfijs volledig verdwenen zal zijn. Sommigen gaan nog verder, en voorspellen een volledig verdwijnen van het Arctische drijfijs binnen enkele decennia of zelfs binnen enkele jaren.

arctic1

Over het verminderen van drijfijs op de Noordpool  en de toename ervan op de Zuidpool  is hier al vaker geschreven (zie onder andere het artikel van 9-4-2010). Twee Japanse wetenschappers, Masahiro Ohashi  en HL Tanaka   van de Universiteit van Tsukuba, toonden aan dat  de variabiliteit  van de temperatuur en drijfijs vóór en na 1989 in het noordpoolgebied verklaard kan worden  door de natuurlijke variabiliteit van de AO (Arctische Oscillatie), en niet  door opwarming als gevolg aan de menselijke activiteit. De geïntensiveerde Beaufort High en de drastische daling van de drijfijsconcentraties in september na 1989 werden in verband gebracht met de recente negatieve trend van de AOI (Arctische Oscillatie Index).

Waar nog onduidelijkheid over was, was de vraag waarom na 2000 het drijfijs verder gestaag afnam (tot 2007), terwijl de Arctische Oscillatie Index in haar negatieve fase belandde. De AO wordt normaal gesproken beïnvloed door drie druksystemen die zich boven de Azoren, IJsland en de noordelijke Stille Oceaan bevinden. Als gevolg  van de negatieve fase van de AOI sinds 2000 voorspelden onderzoekers dat het tempo van de afname van  het drijfijs zou vertragen. In plaats daarvan versnelde dit, tot 2007.

Een tweetal onderzoeken over deze vreemde situatie, de  “Arctic Climate Paradox” genoemd,  werpt een nieuw licht op het smelten van het drijfijs sinds 2000.De eerste is van professor Asgeir Sorteberg aan het Geofysisch Instituut van de Universiteit van Bergen  (Noorwegen). Hij deed zijn onderzoek samen met  collega’s in het kader van het project  Norwegian Component of the Ecosystem Studies of Sub-Arctic Seas (NESSAS). Dit project wordt gefinancierd door het   Research Council under the Programme on Climate Change and Impacts in Norway (NORKLIMA).

Sorteberg ontdekte dat maanden met zeer weinig ijs en hoge temperaturen correspondeerden met belangrijke variaties in de windpatronen. Tot 2000 had de Arctische Oscillatie het grootste effect op de winterse ijsbedekking in het Noordpoolgebied. Maar rond 2000 veranderde het drukpatroon met name in het noorden van Rusland. De AO, die tot 2000 dominant was, speelde vanaf dat moment een veel minder belangrijke rol.

De veranderde windrichting die het gevolg is van de veranderde luchtdrukverdeling duwt grote ijsmassa’s vanaf de Noordpool zuidwaarts langs de oostkust van Groenland. Tegelijkertijd vormt zich minder drijfijs wanneer de wind over het Arctisch gebied wordt bepaald door de hoge luchtdruk in het noorden van Rusland, in plaats van die boven het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan, zoals normaal het geval is. Dergelijke variaties in de circulatiepatronen in het Noordpoolgebied maken deel uit van de natuurlijke schommelingen in het weer. De conclusie van Sorteberg  en zijn team is dat we voorzichtig moeten zijn over het gebruik van de omvang van drijfijs  als een indicator van klimaatverandering. Die omvang van het drijfijs is sterk afhankelijk van de windrichting, en kortetermijnveranderingen hebben weinig of niets te maken met stijgende temperaturen in het Noordpoolgebied.  Wel kan de dikte van het drijfijs een indicatie zijn van verandering, en die dikte is de afgelopen decennia wat afgenomen.

Een andere recent onderzoek is van Masayo Ogi e.a. (Ogi, M., K. Yamazaki, and J. M. Wallace (2010), Influence of winter and summer surface wind anomalies on summer Arctic sea ice extent, Geophys. Res. Lett., 37, L07701, doi:10.1029/ 2009 GL042356.)

Ook deze onderzoekers wijten de afname van het oppervlak drijfijs de afgelopen jaren aan de veranderde drukverdeling en daardoor veranderde windpatronen. Op basis van een statistische analyse wordt aangetoond dat het gecombineerde effect van het winter- en de zomerwindsysteem boven Arctisch gebied voor 50%  de jaarlijkse variaties in het oppervlak van het Arctische drijfijs in september verklaart, en verantwoordelijk is voor ongeveer 1 / 3 van de neerwaartse lineaire trend van de afgelopen 30 jaar.

Arctisch drijfijs  en de grillige natuur

De hoeveelheid drijfijs op aarde is vanaf 1979, het jaar waarin satellietmetingen een aanvang namen, nauwelijks afgenomen.  Weliswaar is de oppervlakte drijfijs in het Arctische gebied afgenomen, maar die in het Antarctische gebied is daarentegen in dezelfde periode toegenomen.  Op onderstaande grafieken is een en ander nogmaals te zien.

seaice_threepanel2009_5

Nu is die afname van het drijfijs in het Arctische gebied tot 2007 vaak toegeschreven aan  “global warming” van de afgelopen eeuw, waarvan het IPCC stelt dat het  vrijwel zeker is dat deze door de mens is veroorzaakt. Hieronder ziet u 2 temperatuurgrafieken van meetstations rond de Beaufortzee ten N van Alaska/Canada.

arctic tempa

 

Het is opmerkelijk dat die  opwarming zich veel sterker laat voelen in het Noordpoolgebied dan in het Zuidpoolgebied. De zomertemperaturen op Antarctica zijn zelfs de afgelopen decennia gestaag gedaald. Maar ook op de stellige overtuiging dat de opwarming van het Arctische gebied en de daarmee gepaard gaande afname van het oppervlak drijfijs aldaar vooral van antropogene oorsprong is, wordt de laatste jaren door diverse wetenschappers afgedongen.

Afgelopen week is is een artikel gepubliceerd van twee Japanse wetenschappers, Masahiro Ohashi  en HL Tanaka   van de Universiteit van Tsukuba. Het artikel is gepubliceerd in SOLA,  Scientific Online Letters on the Atmosphere, van de Meteolological Society of Japan, naar aanleiding van de Fourth Japan China Korea Joint Conference on Meteorology afgelopen november  (Data Analysis of Recent Warming Pattern in the Arctic, SOLA, Vol. 6A, 2010  ).  In deze studie hebben de onderzoekers  het mechanisme van de Arctische opwarming van het oppervlakte-luchttemperatuur (SAT) en de afname van het drijfijs de afgelopen twee decennia vergeleken  met de opwarming van de aarde sinds 1970.

De Japanners concluderen dat de veranderingen  van SAT en het drijfijs vóór 1989  vooral bepaald werden door de Arctische Oscillatie (AO) in de winter.  In tegenstelling hiermee  werd de opwarming van na 1989 gekenmerkt door de intensivering van de Beaufort High,  en werd de vermindering van het drijfijs in de zomer veroorzaakt door de positieve ijs-albedo terugkoppeling.

Geconcludeerd wordt dat de Arctische opwarming vóór 1989 vooral in de winter werd verklaard door de positieve trend van de AOI.  De geïntensiveerde Beaufort High en de drastische daling van de drijfijsconcentraties in september na 1989 werden in verband gebracht met de recente negatieve trend van de AOI.  De gevolgen van die negatieve trend van de AOI hebben we afgelopen winter goed kunnen waarnemen  op het Noordelijk Halfrond!  Die periodiciteit  van de AO behoort tot de natuurlijke variabiliteit van de atmosfeer.

De Japanse onderzoekers toonden aan dat  de variabiliteit  van de temperatuur en drijfijs vóór en na 1989 in het noordpoolgebied verklaard kan worden  door de natuurlijke variabiliteit van de AO, en niet  door opwarming als gevolg aan de menselijke activiteit.


Temperatuur  Noordpoolgebied sterk  beïnvloed door AMO

Zoals bekend ging de afgelopen decennia de temperatuur in het Arctische gebied sterker omhoog dan globaal. Chylek e.a. hebben onderzocht hoe dat kan en zijn tot opzienbarende ontdekkingen gekomen.  (  Chylek, P., C. K. Folland, G. Lesins, M. K. Dubey, and M. Wang (2009), Arctic air temperature change amplification and the Atlantic Multidecadal Oscillation, Geophys. Res. Lett., 36, L14801, doi:10.1029/2009GL038777. )

Aangenomen wordt dat de gemiddelde temperatuur op aarde sinds 1900 met ongeveer 0,7 °C is toegenomen, als gevolg van een aantal natuurlijke en menselijke factoren zoals variaties in zonnestraling, vulkanische activiteit, variaties in de koppeling tussen oceaan en atmosfeer, verandering in albedo, de uitstoot van aerosolen door de mens en uiteraard de stijging van het CO2-gehalte. Met name de laatste factor, de stijging van het CO2-gehalte  als gevolg van menselijke activiteiten, is de afgelopen jaren aangewezen als de belangrijkste veroorzaker van de genoemde temperatuurstijging.

De temperaturen in de Arctische regio volgen de globale temperatuurvariaties versterkt, naar men aanneemt deels  als gevolg van de ijs/sneeuw-albedo-tegenkoppeling. Chylek e.a. hebben geprobeerd  in de voor handen zijnde temperatuurreeksen  bewijzen te vinden voor die versterkte temperatuurvariaties, alsook voor een eventuele natuurlijke variabiliteit.  Men gebruikte de NASA/GISS data van 37 weerstations in de Arctische regio.

Op onderstaande grafieken is  het verloop van de globale temperatuur te zien (rechts) alsook die van de Arctische regio (links). Duidelijk is te  zien dat er sprake is van een versterkt effect in de Arctische regio.  Let hierbij op de verschillende verticale schalen!  Grofweg zijn er in de Arctische regio drie trendperiodes te onderscheiden:  1910-1940,  1940-1970 en 1970-2008.

Als men de drie trendperiodes in ogenschouw neemt, dan valt op dat de temperatuur in het Arctische gebied veel heftiger fluctueert dan de globale temperatuur. In de onderstaande tabel is dat verschil goed te zien. De eerste kolom geeft de trend van de oppervlaktetemperatuur in de Arctische regio  ( in °C/decennium), de tweede kolom geeft de trend weer van de globale temperatuur op het land, en de derde kolom is de verhouding tussen de Arctische en de globale trend, de zogenaamde Arctic Amplification.

Wat opvalt is dat de Arctic Amplification  in de eerste opwarmende periode en vooral de tweede afkoelende periode veel groter was dan in de derde opwarmende periode. Chylek komt tot de conclusie dat deze verschillen niet verklaard kunnen worden  door de toename van aerosolen van 1940-1970 en de afname daarvan na 1970.  Ook de afname van het Arctische drijfijs  gedurende de afgelopen decennia geeft volgens het onderzoeksteam onvoldoende verklaring. De verklaring moet gezocht worden in een koppeling met de zogenaamde thermohaline circulatie in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, waar de Noord-Atlantische Drift/Golfstroom een onderdeel van uitmaakt. De oppervlaktetemperatuur (SST) van  het zeewater  vertoont een zekere periodiciteit, de zogenaamde Atlantische Multi-decadale  Oscillatie (AMO).

Die veronderstelde link tussen de temperatuur in de Arctische regio en de AMO wordt ondersteund door het feit dat er een sterke correlatie is tussen de AMO en de temperatuur in de Arctische regio. In onderstaande grafiek is te zien dat de temperatuur nauw correleert met de beide AMO-indices van NOAA  (gebaseerd op de SST van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan) en die van Parker (globale SST).

Conclusies van Chlek e.a.:   de verhouding van de Arctische temperatuur/mondiale temperatuur, de zogenaamde Arctic Amplification, varieert op een multi-decadale tijdschaal. De algemeen aangehangen hypothese dat de Arctic  Amplification  een factor 2-3 groot is geldt alleen  voor laatste  periode 1970-2008.  In beide voorafgaande periodes was de Arctic Amplification veel hoger, tot wel een factor 13. Oorzaak daarvan is de  variabiliteit van de SST van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, de zogenaamde  AMO.  Verdere analyses moeten meer licht werpen op de invloed van de AMO en andere natuurlijke variabelen op de temperatuur in het Noordpoolgebied.


Arctisch tipping point definitief in vrieslade

De hypothese dat er een tipping point bestaat voor het drijfijs op de Noordpool is enige tijd geleden al naar het rijk der fabelen verwezen door Tietsche e.a.van het Max Planck Instituut in Hamburg in een publicatie in GRL.

 

arctic tip1

Bron: Tietsche e.a.

Ze maakten aannemelijk dat vanwege het verminderen van drijfijs er een tweetal factoren het albedo-effect teniet zullen doen, namelijk een toename van de langgolvige uitstraling vanuit de TOA (top of atmosphere) en een afname van de advectie van warmte, de toestroom van warmte vanuit de omgeving. In de zomer domineert als gevolg van verdwenen drijfijs de opwarming doordat de albedo (reflectiewaarde) drastich daalt. ’s Winters echter vonden de onderzoekers dat vanwege de afwezigheid van de isolerende ijslaag de atmosfeer sterk opwarmt , met als gevolg een grote uitstraling van IR en een daling van toestromende warmte vanuit de omgeving. De Noordelijke IJszee kan daardoor binnen 2 jaar hersteld zijn van een ijsvrije situatie. Een zogenaamd tipping point bestaat volgens de onderzoekers niet.

 

drijfhout

Bron: gust

Deense onderzoekers hebben in een onlangs in Science gepubliceerd onderzoek aangetoond dat zelfs tijdens de Holocene Temperature Maximum zo’n 8000 jaar geleden, toen het op aarde enkele graden warmer was dan momenteel, het zomerdrijfijs in omvang ongeveer de helft was van het jaar 2007. In dat jaar was de omvang van het zomerdrijfijs op een dieptepunt.

Funder e.a. hebben bij hun onderzoek gebruik gemaakt van drijfhout en het ontstaan van strandribbels in het noorden van Groenland. Drijfhout uit het noorden van Noord Amerika en Europa/Azie kan alleen Groenland bereiken als het drijfijs tot aan de kust van Groenland reikt. Omgekeerd kunnen alleen strandribbels ontstaan als er sprake is van open water. Funder e.a. reconstrueerden op deze wijze de anomalieën van het drijfijs gedurende het Holoceen.

 

arctic tip2

Bron: Funder e.a.

Vanwege het feit dat in Canada voornamelijk sparren groeiden en in Siberië voornamelijk lariksen kon het stromingspatroon in de Noordelijke IJszee gereconstrueerd worden. Dit patroon bestaat uit een tweetal situaties, de Transpolar Drift (TPD) en de Beaufort Gyre (BG). Beide zijn aangegeven op bovenstaande figuur.

De sturende kracht achter beide stromingspatronen is volgens de onderzoekers de AO, Arctic Oscillation. Warme periodes vallen dan samen met tijden met relatief veel positieve AO, met sterke westenwinden, terwijl koelere situaties samenvallen met periodes met relatief veel negatieve AO. Dit laatste is ook al in andere studies verondersteld. Zie hoofdstuk De Dogma’s onder Het Drijfijs Smelt.

In een interview met de BBC benadrukte Funder dat zelfs gedurende het Holocene Temperature Maximum, toen de temperatuur op aarde hoger was dan momenteel, met een oppervlakte aan drijfijs die de helft was van die in 2007 , er geen ‘tipping point’ bereikt is. Hij zegt: “ I don’t say that our current worries are not justified, but I think that there are factors which will work to delay the action in relation to some of the models that have been in the media. “I think the effect of temperature and global warming may cause a change in the general wind systems which maybe will delay the effects of the rapidly rising temperatures a little bit.”

Conclusie van de onderzoekers: “ The lack of uniformity in past sea-ice changes, which is probably related to large-scale atmospheric anomalies such as the Arctic Oscillation, is not well reproduced in models. This needs to be further explored, as it is likely to have an impact on predictions of future sea-ice distribution.”


Kersenplukken met een meteoroloog

In de bijdrage van 25-11 j.l. maakte ik al gewag van de lezing die meteoroloog Reinier van den Berg zou houden op de KNAG-dag (geografendag) van 8 december j.l. in het VU-gebouw. Ik heb toen wat kanttekeningen gemaakt bij de ‘zekerheden’ van Van den Berg en proberen aan te tonen dat er meer sprake is van onzekerheden dan van zekerheden.

Inmiddels is de lezing gehouden en ondergetekende is er bij aanwezig geweest. Ervaring? Nog nooit heb ik een lezing bijgewoond waarin zo ‘ruim’ werd omgesprongen met de waarheid. Hier volgen wat opvallende fragmenten uit de lezing. Van den Berg toonde onderstaande grafiek om te laten zien dat we ons op een glijdende schaal bevinden voor wat betreft het Arctische drijfijs:

nh sea ice2
Bron: University of Illinois

Het roze gedeelte ontbrak. Wellicht hebben collega-geografen in de zaal gedacht dat de data na 2007 nog niet beschikbaar zijn, maar lezers van deze site weten beter: tot eind 2011 is beschikbaar. Waarom doet Reinier dit? Natuurlijk kent hij het recente verloop, hij heeft zelfs moeite moeten doen om een grafiek voor zijn presentatie te maken die de data na 2007 weglaat. Kortom: Reinier wil gewoon niet graag het laatste stukje van de grafiek van het ijsoppervlak laat zien. Voor dat laatste stukje schakelt hij over op een andere grootheid: niet het ijsoppervlak wordt getoond, maar het Arctisch ijsvolume. En dat laat inderdaad na 2007 een daling zien. Dat ijsvolume is echter de uitkomst van een model dat ontwikkeld is aan de universiteit van Washington, en is niet de uitkomst van satellietmetingen. Het ijsoppervlak is dat wel: het wordt continu gemeten.

Er is nog wel meer af te dingen op het gebruik van het berekende ijsvolume, zoals het feit dat het volume sterk bepaald wordt door de temperatuur van het water en het volume geen invloed heeft op de albedo maar het oppervlak wel. Kortom: een fraai staaltje van cherry-picking.
De zo door Reinier zelf gecombineerde glijdende schaal mondt dan volgens hem uit in de volgende voorspelling: over 4 jaar is de Noordpool ’s zomers ijsvrij. En mocht het een beetje tegenzitten: in elk geval hebben we vóór 2020 een ijsvrije Noordpool. In recente peer-reviewde publicaties is dit echter niet terug te vinden. Wang (2009) schat een ijsvrije Noordpool in 2037, en dat was op basis van het extreme jaar 2007. De theorie van een ‘tipping point’ voor het Noordpoolgebied waardoor er een ‘runaway’ plaatsvindt met versnelde afsmelt is het afgelopen jaar al door enkele publicaties naar het rijk der fabelen verwezen.

Over het drijfijs rond Antarctica zegt Reinier wijselijk niets, want de grafiek daarvan ziet er zo uit:

Wel laat hij een grafiek zien van de afsmelt van landijs op Antarctica, maar dat betreft alleen West-Antarctica, waar inderdaad meer ijs smelt dan aangroeit. Het is de figuur hieronder. Hij is afkomstig van NASA uit 2009.

antarctica ice melt nasa
Bron: NASA 2009

Over de rest van Antarctica , waar geen extreme smelt plaats vindt houdt hij wijselijk zijn mond. Hieronder een figuur uit de recente publicatie van Zwally et al uit 2011. Grote delen van Centraal en Oost Antarctica waarvan in de bovenstaande figuur uit 2009 nog geen data bekend waren, zijn in deze figuur grijs ingekleurd: een netto toename van het ijs.

Het tweede opvallende aspect van Reiniers lezing is zijn dreigende voorspelling van een extreem snelle zeespiegelrijzing. Hij toonde eerst de onderstaande grafiek die op deze website ook gebruikt is. Zoals ook al in de bijdrage van 25-11 2011 genoemd is van een versnelling van de zeespiegel de afgelopen 100 jaar geen sprake.

sea level3
Bron: NOCS 

Vervolgens schakelde Reinier over op een grafiek van Vermeer en Rahmstorf uit een publicatie in PNAS uit 2009. Om de betrouwbaarheid van de grafiek te verhogen werd vermeld dat Rahmstorf van de beroemde universiteit van Potzdam afkomstig is. Rahmstorf zelf is niet geheel onomstreden. Behalve dat hij in klimatologenland bekend staat als een rasechte alarmist, is hij onlangs door het Kölner Landgericht veroordeeld vanwege het feit dat hij onwaarheden over een wetenschapsjournaliste had verkondigd die haar in de uitoefening van haar beroep hebben geschaad. Irene Meisscher had het namelijk gewaagd het IPCC te bekritiseren vanwege alarmistische passages over de toekomstige landbouwproduduktie in Afrika, als gevolg van de vermeende opwarming van de aarde. Deze waren niet op ‘peer-reviewed’ literatuur gebaseerd, maar toch in de samenvatting van het IPCC-rapport terecht gekomen en werden vervolgens in de klimaatalarmistische uitspraken van Pachauri en Ban Ki Moon hoog opgespeeld. Later zou dit bekend worden als ‘Africagate’. (bron Hans Labohm). Voor het hele verhaal zie hier.

Overigens is hier niet mee gezegd dat alles wat Rahmstorf schrijft daardoor verdacht is. Wel toont dit aan dat zijn gedrevenheid om de alarmistische boodschap niet bekritiseerd over het voetlicht te krijgen groot is. Het gebeurt naar mijn weten zelden dat een wetenschapper een dergelijke actie pleegt.

rahmstorf1

De grafiek is afkomstig uit een publicatie van Vermeer en Rahmstorf uit 2009. De schattingen van Vermeer en Rahmstorf zijn veel hoger dan in het laatste rapport van het IPCC, en de hoogste van alle publicaties over dit onderwerp: tot bijna 200 cm stijging. Verwijzend naar de grafiek deelde Reinier mee dat de schatting van de maximale zeespiegelstijging door de Commissie Veerman van 130 cm weliswaar kritiek heeft gehad, maar blijkbaar nog gematigd was.

Over die 130 cm van de commissie Veerman schrijft Jef Huisman, hoogleraar Aquatische Microbiologie aan de Universiteit van Amsterdam, in het NRC overigens:

Waarop berust dan die voorspelling van 130 cm van de Nederlandse Delta-commissie? Het lijkt nog het meest op educated guesswork, zoals wordt uitgelegd in de appendix van het rapport. De commissie onderscheidt verschillende factoren die bijdragen aan de zeespiegelstijging, zoals uitzetting van zeewater door opwarming en afsmelting van de gletsjers op Groenland en Antarctica. Bij elk van deze factoren schat de commissie 10 of 15 cm meer stijging dan het IPCC. Gewoon, als veilige marge, verkregen uit interviews met verschillende experts. En inderdaad, als je een stuk of 6-7 factoren onderscheidt, die je elk voor de vuist weg ophoogt met ca. 10 cm extra, dan kom je al snel uit op een totale zeespiegelstijging van 130 cm. Ja, zo kan ik het ook.

Waarom wijkt de voorspelling van de commissie zo sterk af van die van het IPCC? Waarom zo’n overdreven voorspelling? Wil de commissie Nederland uitroepen tot het beste jongetje in de klas? Wil men ons bang maken voor het wassende water? Probeert men onderhandelingsruimte te creëren voor het politieke spel? Welke belangen spelen een rol?

De samenstelling van de commissie is opvallend. De commissie bestaat niet uit gerenommeerde klimatologen, oceanografen of aardwetenschappers die met hun expertise weten hoe je klimaatscenario’s dient te interpreteren. Wel is er inbreng vanuit andere hoeken van de samenleving. Verschillende leden zijn betrokken bij de economische ontwikkelingen in Nederland, bij grootschalige baggerwerkzaamheden, of bij coastal engineering. En, heel opvallend, een groot deel van de commissieleden heeft een landbouwachtergrond. De landbouw heeft grote behoefte aan irrigatiewater in de zomer. En dit water kan onttrokken worden uit het verhoogde IJsselmeer. ”

Rahmstorf doet het niet voor die 130 cm van Veerman en doet er nog een schepje bovenop. Hij schrijft: “ We propose a simple relationship linking global sea-level variations on time scales of decades to centuries to global mean temperature. This relationship is tested on synthetic data from a global climate model for the past millennium and the next century.” . Over het gebruik van modellen heft Komen ( zie bijdrage 3-12-2011) al wijze dingen gezegd. John von Neumann , een van de grootste wiskundigen ooit, heeft over modellen gezegd: “ With four parameters I can fit an elephant, and with five I can make him wiggle his trunk.”.

Overigens ligt het gemeten verloop van het zeeniveau nu al (eind 2011) lager dan de door Vermeer en Rahmstorf allerlaagste schatting.

wuwt1
Bron: WUWT 

Er valt nog veel meer te zeggen over het optreden van Reinier van den Berg. Wat dacht u van: “ broeikasgassen hopen zich op in het bovenste deel van de troposfeer ” . Eenieder die ook maar iets afweet van het gedrag van broeikasgassen weet dat dat onzin is. Ook zijn opmerking dat het laatste deel van de BBC-serie The Frozen Planet verboden zou zijn in de USA is nonsens. De overheid in de USA bepaalt niet wat er op tv uitgezonden wordt, dat zijn de tv-zenders. Even zoeken op het internet en de waarheid komt naar boven: de BBC heeft de serie op de wereldmarkt aangeboden in een package van de eerste 6 delen, met een mogelijkheid om het zevende deel, “On thin ice” geheten, ook te kopen. Dat laatste deel gaat over de invloed van de mens op het klimaat. Van de 30 afnemende tv-stations hebben er 10 het laatste deel niet aangekocht, waaronder Discovery USA. Van een verbod is dus geen sprake. Lees hier.

Verder was het optreden een aaneenrijging van anekdotische bewijsvoering en “praatjes bij plaatjes” die moesten aantonen dat het allemaal heel erg is. Kortom: de hele lezing van Van den Berg ademde een sfeer van een onheilstijding. Daarbij schuwde Reinier zoals gezegd het wapen van cherry-picking niet, maar ook andere halve waarheden en zelfs onwaarheden ging hij niet uit de weg om zijn (goed betaalde) apocalyptische boodschap te brengen.

Het is zoals een bekende wetenschapsjournalist onlangs over Reinier schreef: “ Het is een aardige man, maar hij heeft geen verstand van klimaat, en bovendien is hij een activist “. Ik ben bang dat voor een gehoor dat niet goed ingewijd is in de klimaatdiscussie zijn verhaal heel aardig klinkt. Het optreden van Van den Berg op de geografendag in Amsterdam bewees mijns inziens geen goede dienst aan een van de doelen van het aardrijkskundeonderwijs in Nederland, namelijk jongens en meisjes opleiden tot mondige burgers. Voor ingewijden is Reinier van den Berg namelijk, net als zijn grote voorbeeld Al Gore, een klimaatcharlatan. Reinier zou zich het beste aan zijn stiel houden: weerman.


Het drijfijs op de Noordpool

 

Het drijfijs op de Noordpool is een geliefd subject voor klimaatalarmisten om ‘aan te tonen’ dat er sprake is van ernstige opwarming als gevolg van CO2-toename. De geliefde redenering is dan als volgt: omdat het warmer wordt vanwege het versterkt broeikaseffect smelt het drijfijs op de Noordpool (en houden we uiteindelijk niets meer over). Meteoroloog Reinier van den Berg van MeteoConsult voorspelt dat over 4 jaar de Noordpool ’s zomers ijsvrij is. En mocht het een beetje tegenzitten: in elk geval hebben we vóór 2020 een ijsvrije Noordpool. Zie de bijdrage van 9 december j.l. Maar van den Berg is een klimaatactivist en derhalve niet serieus te nemen.

Het KNMI schrijft op haar site: “Oorzaak van die snelle afname van het zeeijs is vooral de grote temperatuurstijging in poolgebieden, die meer is dan de stijging van het wereldgemiddelde. Dat wordt veroorzaakt door zelfversterkende mechanismen in het klimaatsysteem. Eén daarvan is dat ijs en sneeuw bijna al het zonlicht terugkaatsen. Wanneer de temperatuur stijgt en een deel van het ijs en de sneeuw smelt, worden land en zee ijsvrij. Zo’n oppervlakte zonder ijs neemt meer zonnestraling op. Daardoor stijgt de temperatuur nog meer en smelt er nog meer sneeuw en ijs.”.

temptrend polen1

 

temptrend polen2
Bron: NASA

Op bovenstaande kaartjes en grafiek is te zien dat die relatief grote temperatuurstijging vooral voor het Noordpoolgebied geldt, niet voor het Zuidpoolgebied. De fysische mechanismen die het KNMI verder beschrijft zijn natuurlijk bekend en hoeven hier niet besproken te worden. Die albedoverandering is natuurlijk vooral die van afnemend drijfijs in de zomer en een kortere en kleinere sneeuwbedekking van het land. Dat het land ijsvrij is geworden, zoals beweerd wordt, is nog niet waargenomen in het Arctische gebied (Groenland). Het KNMI zou mijns inziens de tekst moeten aanpassen en de slordigheden er uit halen.

sea ice anomaly nh 1-12

sea ice anomaly zh 1-12

Bron: University of Illinois

In bovenstaande grafieken is de afname van het drijfijs op de Noordpool te zien, beginnend vanaf midden jaren ’80. De afgelopen jaren Tegelijk neemt diezelfde periode de hoeveelheid drijfijs rond Antarctica toe. Totaal nam het drijfijs in deze periode met ongeveer 0,5 miljoen km2 af. Zo op het eerste gezicht lijken bovenstaande grafieken min of meer in harmonie met de temperatuurtrend zoals we die zagen op de eerste kaartjes.

Interessant is het om een blik te werpen op onderstaande grafiek van het Centre for Ocean and Ice van het DMI, Deens meteorologisch Instituut.

dmi 2011

Bron: DMI

Het betreft de temperatuurtrend in 2001 van het gebied ten N van 80°NB (rode lijn). De groen lijn is de ERA40 temperatuurlijn, de klimatologische temperatuurlijn van hetzelfde gebied van 1957 tot 2002. Te zien is dat de rode lijn in de Arctische zomer zeer fraai het klimatologisch gemiddelde volgt. Het bijzondere is dat dat niet alleen voor 2011 geldt , maar voor alle jaren van de datareeks van het DMI vanaf 1958! Kijk maar eens naar de grafiek van 2007, het jaar met het minimum record aan drijfijs:

dmi 2007
Bron: DMI

Via de link naar het DMI kunt u alle jaren vanaf 1958 bekijken en steeds hetzelfde zien: de zomertemperatuur op de Noordpool wijkt nauwelijks af van het meerjarig gemiddelde volgens de ERA40 reeks. Wat opvalt als men de reeks bekijkt is dat met name gedurende het afgelopen decennium de wintertemperaturen hoger liggen dan het klimatologisch gemiddelde, en dat de wintertemperatuur grote fluctuaties laat zien, sterk afwijkend van de zomertemperatuur die nauwelijks afwijkingen kent van het langjarig gemiddelde. Er is dus geen sprake van een gelijkmatig opwarming van het Noordpoolgebied gedurende het jaar: opwarming vindt vrijwel uitsluitend plaats in het winterjaargetijde.

poolnacht

Bron: wikipedia

Nu is er met de seizoenen op zeer hoge breedte wat aan de hand: in het koudste deel van het jaar komt de zon niet boven de horizon uit en is er sprake van poolnacht.

Voor het gebied dat het DMI observeert in haar temperatuurgrafieken, heeft die periode zonder (direct) zonlicht een lengte van 77 dagen op 80° NB tot 183 dagen op 90° NB. Dat betekent dat de luchttemperatuur volledig afhankelijk is van advectie, de horizontale aanvoer van elders. Opwarming door zonlicht is afwezig. Dat ‘elders’ zijn voor de Noordpool altijd gebieden die zuidelijker liggen en vaak warmer zijn. In de dagen voorafgaande en na de periode met poolnacht zijn de omstandigheden niet veel anders als gevolg van de zeer kleine zonnehoek en de zeer korte duur van de dag.

Die advectie van warmte vindt op 2 manieren plaats: door luchtstromen en door zeestromen. Aanvoer van warmte via luchtstromen is in de winter vooral afhankelijk van de ligging van hoge- en lagedrukgebieden in en rond de poolstreek. De veranderingen in luchtdruk in de winter van jaar tot jaar kent een min of meer vast patroon, de AO (Arctische Oscillatie) genoemd.

ao
Bron: wikipedia

De afgelopen twee Arctische winters werden gedomineerd door een negatieve fase van de AO. Gevolg: een warmere Noordpool en koudere omstandigheden in Europa en Noord-Amerika. Deze winter was tot nu toe anders: tot dit weekeinde was er sprake van een positieve fase van de AO. Enorme hoeveelheden zachte vochtige lucht werden vanuit de Atlantische Oceaan over Europa uitgestort, en vanuit de Grote Oceaan over de USA. De zeer koude lucht boven de Noordpool bleef gedurende al die weken als het ware opgesloten in het noordpoolgebied. Verschillende studies hebben aangetoond dat tijdens de positieve fase van de AO het dikke drijfijs de neiging om uit de Arctische Zee geblazen te worden via de Fram Strait tussen Spitsbergen en Groenland. Het gevolg is dat op de Noordpool dunner ijs achterblijft dat gemakkelijker smelt in de zomer.

ice drift

Bron: DMI

Het DMI heeft van die verplaatsing van drijfijs door de wind ( ice drift) een aardige interactieve animatie gemaakt. Klik hier.

Een andere factor die van invloed kan zijn op de aanvoer van warmere lucht is de oppervlakte en duur van de sneeuwbedekking in het noorden van Noord-Amerika, Europa en Azië.