Pielke gehoord

Dr. Roger Pielke Jr. is professor aan de University of Boulder, Colorado. Hij is een gerespecteerde wetenschapper en is daarom al enkele malen over klimaatkwesties als deskundige gehoord door Senaat- en Congrescommissies. Deze week werd hij gehoord door de Budgetcommissie van de U.S. Senaat. De verklaring van Pielke focuste zich op misinformatie en wetenschappelijke integriteit.

Zijn betoog draaide om 4 cruciale punten:

  1. Om te beginnen benadrukt hij expliciet en ondubbelzinnig dat door de mens veroorzaakte klimaatverandering reëel is, dat ze aanzienlijke risico’s inhoudt voor de samenleving en het milieu, en dat verschillende beleidsreacties in de vorm van mitigatie en aanpassing noodzakelijk en zinvol zijn.
  2. Het beste en waarschijnlijk enige tegengif voor verkeerde informatie is juiste informatie. Het succesvol produceren, communiceren, legitimeren en vertrouwen op accurate informatie om het beleid te informeren vereist het handhaven van normen van wetenschappelijke integriteit.
  3. Helaas zijn op belangrijke gebieden van de klimaatwetenschap dergelijke normen niet nageleefd en is de zelfcorrigerende functie van de wetenschap kortgesloten. In mijn getuigenis illustreer ik voorbeelden van tekortkomingen, met de nadruk op het aanhoudende misbruik van verouderde en ongeloofwaardige scenario’s.
  4. Bezorgdheid over verkeerde informatie wordt soms ironisch en pathologisch misbruikt door politici, journalisten en experts om verkeerde informatie te verspreiden en accurate informatie te ondermijnen.

Lees het hele betoog van Pielke hier.

 

Rainergy


Bron: WUWT

Gisteren plaatste Willis Eschenbach een meesterlijk artikel over de dominante invloed van wolken op het aardse klimaat op de website Whats Up With That. Genoeg reden om het te vertalen.

Gastpost door Willis Eschenbach op WUWT

Als buitenaardse wezens in ruimteschepen onze wereld zouden zien, zouden ze hem niet “Aarde” noemen. Ze zouden het “Water” noemen, omdat dat meer dan 70% van het oppervlak uitmaakt. En dat is ook wat het klimaat regelt.

Een paar dagen geleden stuitte ik op iets waar ik al een tijdje naar op zoek was: een gerasterde wereldwijde neerslagdataset voor de langere termijn. Ik heb er eindelijk een gevonden op de Copernicus website. Het loopt van 1979 tot december 2021. Hier is de wereldwijde gemiddelde neerslag van die site.

Figuur 1. Gemiddelde jaarlijkse neerslag, 1979-2021

Dit laat een aantal interessante aspecten zien. De eindeloze regenbuien van de intertropische convergentiezone (ITCZ) zijn te zien als de blauwe band boven de evenaar. De Pacific Warm Pool wordt gemarkeerd door de blauwe klodder zware regen ten noorden van Australië.

Een korte uitweiding. Het huidige centrale paradigma van de mainstream klimaatwetenschap is dat de verandering in de mondiale temperatuur een vertraagde lineaire functie is van de verandering in de totale neerwaartse zonne- en langgolvige (thermische) straling. Met andere woorden, forcing (wat in de klimaatwereld meestal veranderingen in neerwaartse straling betekent, geef mij niet de schuld, ik heb de term niet uitgevonden) bepaalt de temperatuur, en al het andere wordt gemiddeld.

Ik ben een andere mening toegedaan. Ik ben van mening dat verschillende klimaatverschijnselen op verschillende manieren, plaatsen en tijden het klimaat thermoreguleren. Een van de sterkste van deze fenomenen is het dagelijks ontstaan van tropische onweersbuien. Wanneer de temperatuur van de oceaan een bepaalde lokale grens overschrijdt, vormen zich onweersbuien, valt er regen en wordt het oppervlak afgekoeld. Als gevolg hiervan zouden we in het huidige, over het algemeen opwarmende klimaat een toename van tropische onweersbuien moeten verwachten.

Om deze voorspelling te onderzoeken, heb ik gekeken naar de neerslagtrends. Figuur 2 laat die zien, in millimeters per decennium. Blauw wordt natter en rood droger.

Figuur 2. Neerslagtrends, 1° breedtegraad x 1° lengtegraad gridcellen.

Zoals mijn theorie voorspelt leidt de opwarming tot meer neerslag boven de Pacific Warm Pool en rond de Intertropische Convergentiezone.

De reden dat ik op zoek was naar de neerslagdataset was echter niet de regen op zich. Het was omdat de regen een maat is voor de afkoeling van het oppervlak door verdamping. De wereldwijde gemiddelde neerslag is ongeveer een meter per jaar. Er is ~ 80 watt per vierkante meter (W/m2) straling over een periode van één jaar nodig om één meter zeewater te verdampen. Daarnaast is er een afkoeling van nog eens ~ 2,5 W/m2 door de koude regen die op het oppervlak valt. Dit betekent dat neerslag wereldwijd het oppervlak rechtstreeks afkoelt met ~ 82 W/m2.

Wat ik niet wist totdat ik de Copernicus neerslagdataset kreeg, was hoe die koeling ruimtelijk is verdeeld over de planeet. Hieronder zie je dat. Natuurlijk lijkt het op figuur 1, alleen met andere eenheden.

Figuur 3. Gemiddelde aanhoudende afkoeling door neerslag, 1979-2021

Let op de ruimtelijke overeenkomst tussen het stralingseffect van de wolken aan het oppervlak en de afkoeling door de neerslag. Dat is geen verrassing.

Let ook op de efficiëntie van het systeem: de afkoelingseffecten van de wolken (neerslag + straling) zijn gericht op de warmste gebieden. En dit geldt zowel op lokale als op mondiale schaal – onweersbuien ontstaan bij voorkeur boven lokale hete plekken aan het oppervlak. Dit geeft de meeste afkoeling met de kleinste inspanning.

Als we deze twee verschillende wolkeneffecten bij elkaar optellen, krijgen we een maat voor het grootste deel van het effect van wolken op de oppervlaktetemperatuur. Ik zeg “het grootste deel” omdat er nog andere afkoelingseffecten zijn. Deze omvatten:

  • Sneeuw, ijzel en hagel. Omdat deze bevroren zijn, koelt het oppervlak extra af door het smelten van het ijs.
  • Heldere droge dalende lucht rond onweersbuien. Omdat het meeste water en de meeste aërosolen uit de lucht zijn gehaald door regenval, is er veel minder waterdamp en zijn er minder aërosolen om straling te absorberen die het oppervlak verlaat. Hierdoor komt er meer straling van het oppervlak in de ruimte terecht, waardoor het oppervlak afkoelt.
  • Een koude wind vanuit het condensatieniveau van de atmosfeer wordt meegevoerd door de vallende regen en raakt het oppervlak verticaal. Deze wind verspreidt zich als hij het oppervlak raakt, waardoor een veel groter oppervlak rond elke regenwolk wordt afgekoeld.

Als we deze andere koelingseffecten even buiten beschouwing laten, zien we hier de verdeling van de totale wolkenkoeling (straling plus neerslag) over de planeet.

Figuur 4. Het volledige effect van wolken

Merk op dat in plaats van de ~ -20 W/m2 afkoeling door alleen de stralingseffecten van de wolken, het werkelijke effect van de wolken ongeveer 100 W/m2 is, en dat er grote gebieden zijn waar de afkoeling meer dan -300 W/m2 is.

Vervolgens kunnen we kijken naar de relatie tussen de totale afkoeling door wolken (straling plus neerslag) en de oppervlaktetemperatuur. Dit is het duidelijkst over de 70% van het oppervlak dat uit water bestaat. Hier is die relatie:

Figuur 5. Scatterplot, totale wolkenafkoeling (regenval plus straling) versus zeeoppervlaktetemperatuur. Elke blauwe stip is een gebied van 1 breedtegraad bij 1 lengtegraad van het oceaanoppervlak.

Dit is precies de vorm die we zouden verwachten in een thermoregulerend systeem. Naarmate de temperatuur van het zeeoppervlak toeneemt, neemt de totale afkoeling van de wolken af … maar alleen tot ongeveer 26°C. Daarboven neemt de wolkenkoeling zeer snel toe, snel oplopend tot ongeveer -300 tot -400 W/m2 aan koeling wanneer de zeeoppervlaktetemperatuur in de buurt van ~ 30°C komt.

De gele lijn in afbeelding 5 toont de helling van de relatie wolkenkoeling/temperatuur, dat wil zeggen hoeveel de wolkenkoeling verandert voor elke 1°C opwarming van het oppervlak. En rechts van Figuur 3 is die helling ~ -100 tot ~ -150 W/m2 toegenomen afkoeling voor elke 1°C opwarming van het oppervlak.

Tot slot wil ik opmerken dat CO2 sinds 1950 de neerwaartse straling theoretisch heeft verhoogd met iets in de orde van 1,4 W/m2 … en dat zou volledig teniet worden gedaan door een toename van slechts 1,4% in wolkenkoeling. Bedenk in dat verband dat de wereldwijde afkoeling van wolken van maand tot maand met wel 9% kan veranderen en dat we dat nooit merken …

Het belangrijke van afkoeling door wolken is dat het temperatuurgestuurd is. Het heeft niets te maken met “forcing”. Wanneer de temperatuur van het tropische zeeoppervlak boven ongeveer 26°C komt, regent het, ongeacht de forcing. Zie hieronder.

Figuur 6. Equatoriale regenval in de Stille Oceaan, 5° noord tot 5° zuid.

Groeten aan iedereen, en onthoud: in plaats van de storm te vervloeken, leer dansen in de regen …

w.

Die zon toch

Javier Viños is van huis uit bioloog en heeft vele jaren onderzoek gedaan in de USA. Een aantal jaren geleden begon hij zich te verdiepen in klimaatverandering en dat heeft geleid tot enkele uitstekende boeken. Dat hij de afgelopen tijd ook artikelen schrijft voor de website  van Judith Curry bevestigt de kwaliteit van zijn stukken.

Onlangs is hij begonnen met de publicatie van een drietal artikelen over de invloed van de zon op het aardse klimaatsysteem. Voor wie denkt dat daar al zo’n beetje alles al over gezegd is, vergist zich. Tot nu toe zijn de eerste twee artikelen verschenen, zie hier en hier. Ik verwacht deel 3 in juni a.s.

Van die artikelen heeft Javier ook  Youtube video’s gemaakt, die (in combinatie met de Engelse ondertiteling) prima te volgen zijn. Interessant!

Tucker meets Willie

In december 2023 werd de medeoprichter van CERES-Science, Dr. Willie Soon, uitgenodigd om met Tucker Carlson te praten over energiebeleid, klimaatverandering en benaderingen van wetenschap.

Opwarmertje voor het Clintel congres van 18 juni a.s. waar Willie Soon zal spreken:

Congres Clintel op 18 juni

Stichting Clintel bestaat dit jaar alweer vijf jaar. Dus tijd voor een congres, en wel op dinsdag 18 juni van 10 tot 18 uur in Roelofarendsveen. Dit is het programma (onder voorbehoud):

9:00 uur            ontvangst
10:00 uur          Opening dagvoorzitter
10:05 uur          Boodschap van Guus Berkhout
10:15 uur          Hessel Voortman: versnelt de zeespiegelstijging nu wel of niet?
10:45 uur          Marcel Crok: moet de klimaatoorlog in de rechtszaal gewonnen worden?
11:15 uur          Gregory Wrightstone over zijn boek A Very Convenient Warming
11:45 uur          Feestelijke lancering Nederlandse vertaling boek Wrightstone

12-13:15 uur     Lunch

13:15 uur           Theo Wolters: energietransitie, een reality check
13:50 uur           Bert Weteringe: de impact van het windbeleid
14:25 uur           Jacob Nordangard: The Climate Emergency Illusionists

15:00 uur           Pauze

15:30 uur           Keynote Willie SoonScientific challenges of the “detection and attribution of global warming”

16:45 uur           Borrel
18:00 uur           Einde

Veel interessante sprekers dus! Ik licht er twee uit:

’s Ochtends spreekt waterbouwkundig ingenieur Hessel Voortman.  Voortman heeft de afgelopen tijd gewerkt aan twee razend interessante papers over de zeespiegel, met als centrale vraag of er een versnelling te zien is in de data. De eerste paper over de zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust, die enkele maanden geleden verschenen is, heeft veel stof doen opwaaien.

De tweede spreker die ik even wil belichten is de bevlogen Amerikaanse klimaatonderzoeker Willie Soon, die speciaal voor deze gelegenheid naar Nederland komt. Wie het klimaatdebat een beetje volgt kent Willie Soon waarschijnlijk wel. Hij was in 2003 een van de eerste onderzoekers die zich kritisch uitliet over de beruchte hockeystickgrafiek van Michael Mann. Soon en zijn collega Sallie Baliunas hebben het geweten. Baliunas vertelt over deze episode in de onlangs verschenen film Climate: The Movie.

Datum: 18 juni 2024
Tijd: 10 tot 18 uur
Locatie: Hal60 in Roelofarendsveen (Pasteurweg 60, 2371 DW, Roelofarendsveen)
Hal60 is goed bereikbaar met de auto (het ligt vlakbij de A4). Er gaan directe bussen vanuit Schiphol en station Leiden.

Tickets (inclusief koffie en lunch): 49 euro voor Vrienden van Clintel, 79 euro voor overige bezoekers.

Voor inschrijving volg deze link.

 

Hoe de ‘hiatus’ verdween

Fig.1    Bron: IPCC AR5

Gedurende ongeveer 15 jaren, van 1998 tot 2013, stagneerde de gemiddelde temperatuurstijging op aarde. Die stagnatie werd de ‘hiatus’ genoemd. Die stagnatie is in figuur 1 -afkomstig uit het AR5 rapport van het IPCC- grijs gearceerd. Dat was verrassend nieuws in het vijfde IPCC-rapport AR5 The Physical Science Basis uit 2013: de aarde was sinds 1998 nauwelijks opgewarmd.

De weergegeven anomalieën betreffen de afwijkingen van de jaargemiddelde temperaturen van de door HadCRUT gebruikte data ten opzichte van de basisperiode 1961-1990. De officiële temperatuurreeks in figuur 1 was gebaseerd op de CRUTEM landgegevens plus de oceaantemperaturen van Hadley Centre – HadSST2. Maar alle andere beschikbare temperatuurreeksen (NOAA, NASA, Hadley/CRU) waren het in principe eens met deze conclusie. Ze vallen dan ook grotendeels samen in de grafieken. In het AR5-rapport stond: “The observed GMST has shown a much smaller increasing linear trend over the past 15 years than over the past 30 to 60 years, depending on the observation data set. The GMST trend over 1998-2012 is estimated to be around one third to one half of the trend over 1951-2012”.

Fig.2    Bron: NOAA

Die stagnatie was opvallend, omdat de stijging van het atmosferisch CO2-gehalte gedurende die periode onverminderd doorging, zoals figuur 2 laat zien. Die stagnatie is dus niet het gevolg van lagere CO2-emissies door de mens, maar moet een natuurlijke oorzaak hebben.

Fig.3    Data: Crudata

De grafiek in figuur 3 is een recente weergave van de gemiddelde wereldtemperatuur op basis van HadCRUT5 analyses. De grafiek laat zien dat in die nieuwste grafiek van een hiaat in de temperatuurstijging gedurende de periode 1998-2013 geen sprake meer is. Hoe kan dat, wat is hier gebeurd? In de meer recente IPCC rapporten wordt daar met geen woord over gesproken.

Fysicus Clive Best schreef op zijn blog een artikel over de hiatus en het verdwijnen ervan in jongere grafieken, getiteld “Whatever happened to the Hiatus in Global Warming?”. Best is een Britse wetenschapper met een PhD in High Energy Physics. Hij werkte onder andere voor  CERN, Rutherford Lab en JET Nuclear Fusion. Mede door zijn werk werd zijn interesse gewekt voor klimaatverandering en startte een blog.

Het officiële IPCC-standpunt destijds was dat dergelijke pauzes in de opwarming niet onverwacht waren en waarschijnlijk te wijten waren aan natuurlijke schommelingen zoals de AMO (Atlantic Multi Decadal Oscillation). Balmaseda et al schreven in hun paper uit 2013 de temperatuurstagnatie toe aan een extra opslag van warmte in de oceanen. Opgelucht kopte de Volkskrant destijds: Klimaatwetenschap: toch niet ‘verdwenen’…. De extra warmte zakt in de diepzee. The science was dus blijkbaar settled, zoals zo vaak. Maar was dat ook zo? De werkelijkheid is natuurlijk veel ingewikkelder dan voorgesteld werd. Wie het hele verhaal van destijds in een artikel uit 2015 wil nalezen kan hier terecht.


Fig.4    Bron: Clive Best

Begin oktober 2013 boog The Royal Society zich over de hiatus en de vraag was: kunnen modellen de pauze in temperatuurstijging reproduceren? De grafiek van figuur 4 is afkomstig van die bijeenkomst, en het antwoord op de vraag is in de grafiek af te lezen: nee. Maar liefst 111 van de 114 CMIP5 modellen slaagden er niet in om de hiatus te verklaren, ondanks het feit dat ze natuurlijke variatie meenamen. Ze voorspelden te hoge trends. In IPCC-taal betekent dit : Het is “extreem onwaarschijnlijk” dat AR5 modellen de hiaat in de opwarming van de aarde kunnen verklaren (95% waarschijnlijkheid). The science was blijkbaar nog lang niet settled.

Terug naar de hamvraag: hoe kan het dat in latere grafieken de hiatus verdwenen is? Meten is toch weten? Het antwoord is: blijkbaar niet. Die meetgegevens zijn door allerlei veranderingen in de loop der jaren beïnvloed. Best analyseerde die veranderingen in de loop van de jaren:

  • Tot 2013 was de globale temperatuurwaarde gewoon (NH + ZH)/2, maar dit werd later veranderd in (2*NH + ZH)/3 omdat er ruwweg de helft minder landoppervlak op het ZH ligt dan op het NH. Dat is niet onredelijk, maar daarmee kan het verdwijnen van de hiatus niet verklaard worden.
  • Meer dan 600 nieuwe stations op hoge noordelijke breedtegraden werden toegevoegd in CRUTEM4, terwijl 175 stations uit Zuid-Amerika (die vooral afkoeling vertoonden) werden verwijderd. Het netto opwarmingseffect van dit alles was een toename van de opwarmingstrend met ~30% ten opzichte van CRUTEM3.

Jones (2012) schreef: “De opname van veel extra gegevens van het noordpoolgebied (met name het Russische noordpoolgebied) heeft ertoe geleid dat de schattingen voor het noordelijk halfrond (NH) sinds 2001 ongeveer 0,1°C warmer zijn.” CRUTEM4.3 zette deze opwarmende trend voort door nog meer arctische stations toe te voegen en begon met het homogeniseren van gegevens (vergelijkbaar met GHCN V3), zoals hieronder wordt besproken.

  • De temperatuur van het zeeoppervlak wordt al sinds 1850 gemeten met zeer verschillende methoden, variërend van emmertemperaturen, motorinlaattemperaturen tot boeien en satellietgegevens. Het is extra complex omdat de temperatuur varieert met de diepte en andere factoren, terwijl de temperatuur op het land altijd op 2 m boven het oppervlak wordt gemeten. Er zijn ingewikkelde methoden ontwikkeld om dergelijke veranderingen in de instrumentatie te corrigeren. De meest recente HadSST4-gegevens, waarin ook satellietcorrecties voor recente gegevens van boeien zijn verwerkt, hebben ook een significante opwarmingstrend toegevoegd. Zie hier voor meer informatie.

Het algehele resultaat van deze updates is een ogenschijnlijke toename van de  recente opwarming. Dit is te zien door de ongecorrigeerde mondiale temperatuurgegevens te vergelijken met de gecorrigeerde gegevens die op precies dezelfde manier zijn berekend.

Veranderde methodiek en verandering in de hoeveelheid en ligging van de stations hadden dus een opwarmend effect op de data. Maar ook werden enkele ‘correcties’ geintroduceerd op de meetgegevens. De eerste correctie paste een algoritme op alle stationstemperaturen toe, genaamd “paarsgewijze homogenisatie“. Het tweede algoritme heet “Kriging” van de temperatuurgegevens, wat ervan uitgaat dat je temperatuuranomalieën kunt interpoleren naar poolgebieden zonder geregistreerde meetgegevens. Invullen van meetgegevens die er niet zijn. Ik schreef daar al wat over in het artikel van 28 maart j.l. bij het verschil tussen non-infilled en analyses data van CRU.

We bekijken beide nieuwe correcties hieronder.

  • Paarsgewijze homogenisatie. Geautomatiseerde homogenisatie-algoritmen zijn gebaseerd op de paarsgewijze vergelijking van maandelijkse temperatuurreeksen. Het paarsgewijze homogenisatie-algoritme versterkt in feite altijd een regionale opwarmingstrend. Het algoritme zoekt eerst naar verschuivingen tussen naburige “anomalieën” van weerstations. Er kunnen zich inderdaad gevallen voordoen waarbij een station naar een iets andere hoogte is verplaatst, wat een stapfunctieverschuiving in de gemiddelde temperaturen kan veroorzaken. Het algoritme wordt echter algemeen toegepast tussen alle stationsparen, zelfs als ze soms duizenden kilometers uit elkaar liggen. Dit zorgt voor een systematisch versterkt opwarmingseffect, vooral wanneer dit wordt toegepast op de normalisatieperiode van 30 jaar (bijv. 1961-1990).

Fig.5    Bron: Clive Best

We zien in figuur 5 dat het netto-effect van de “paarsgewijze homogenisatie” is dat de schijnbare opwarming sinds ~2000 met ongeveer 0,15C toeneemt.  Hoe zeker zijn we dat deze geautomatiseerde algoritmische correcties wel correct zijn?

In een recent artikel van O’Neill et al uit 2022 is in detail gekeken naar de effecten van het paarsgewijze algoritme op GHCN-V4 en de resultaten zijn verrassend.  Ze downloadden alle dagelijkse versies van GHCN-V4 over een periode van 10 jaar en controleerden zo de toegepaste correcties op consistentie. Ze bestudeerden Europese stations en ontdekten dat er in dat decennium gemiddeld 100 verschillende paarsgewijze correcties werden toegepast, terwijl slechts 3% van deze correcties daadwerkelijk overeenkwamen met gedocumenteerde gebeurtenissen in de metadata, zoals verplaatsingen van stations. Slechts 18% van de toegepaste correcties kwam overeen met gedocumenteerde veranderingen in meetopstelling binnen een venster van 12 maanden. De meeste “correcties” waren ongedocumenteerd. Correcties zonder noodzaak dus. Zie figuur 6

Fig.6    Bron: O’Niell et al 2022

  • Krigingtechniek wordt gebruikt om waarden te extrapoleren naar die delen van de wereld waar geen directe metingen zijn. Dit wordt vooral gebruikt in het noordpoolgebied. Het eindresultaat is altijd een verhoging van de totale opwarming (zie figuur 7). Alle datagroepen maken tegenwoordig gebruik van dit soort technieken om de dekking uit te breiden naar beide poolgebieden.

Fig.7    Data: Crudata

Sinds AR5 is er een trend om alle temperatuurreeksen (GHCN, Berkeley Earth, NASA, HADSST5) zo te uniformeren dat ze met elkaar overeenkomen en een hogere opwarmingssnelheid bevestigen . Deze trend is gebaseerd op 1) homogenisering van metingen van stations, 2) het aanvullen van gegevens met gebieden zonder metingen (kriging) en 3) het mengen van SST met 2 m temperaturen.


Fig.8    Data: Crudata

Figuur 8 laat goed zien wat de effecten zijn geweest op de gemiddelde wereldtemperatuur volgens Crudata in 2013 (Hc4 4 januari 2014) en de jongste versies (Hc5 met en zonder ‘invullen)’. Zo is dus de ‘hiatus’ uit de klimaatannalen verdwenen.

In principe is nu de ‘consensus’ over de opwarming van de aarde bereikt omdat iedereen dezelfde methodologie (homogenisatie, kriging, etc.) en dezelfde onderliggende gegevens gebruikt om de opwarming te berekenen. Er zijn dus geen onafhankelijke datasets meer. Een van de belangrijkste controles op de geldigheid van wetenschappelijke resultaten is dat onafhankelijke groepen de ruwe temperatuurgegevens analyseren met behulp van verschillende methodologieën. Dit proces lijkt te zijn gestopt naarmate de politieke invloed rond klimaatverandering is gegroeid.

Terecht schrijft Clive Best: “Science advances when independent experimental results confirm a theoretical  prediction. It usually never works the other way round

Naar een CO2-vrije wereld?

Em. professor Richard Lindzen schreef onlangs een artikel op de website van Netzerowatch waarin hij een mooi historisch overzicht geeft van het ontstaan van de huidige obsessie met het CO2-vrij maken van de wereld. Althans van een deel van de wereld, en misschien wel een klein deel van de wereld, zoals het er nu naar uit ziet.

Richard Lindzen is een erudiete wetenschapper die meer dan 30 jaar professor was aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) en zijn sporen in de klimatologie en meteorologie meer dan verdiend heeft met honderden publicaties. Hij is lid van de Amerikaanse National Academy of Science, van de American Academy of Arts and Sciences, betrokken bij de American Meteorological Society, de American Geophysical Union, de American Association for the Advancement of Science.

Maar het allerbelangrijkste: hij neemt geen blad voor de mond en prikt met gemak door onzinnige beweringen over klimaatverandering. De vertaling van Lindzens artikel is van Hans Labohm, waarvoor dank!

 Hoe is de obsessie met het CO2-vrij maken ontstaan?

Door Richard Lindzen.

De huidige obsessie met het CO2-vrij maken vond zijn oorsprong in de reactie op de verbazingwekkende periode na de Tweede Wereldoorlog, toen gewone arbeiders een huis en een auto konden bezitten. Ik was student in de jaren vijftig en begin jaren zestig. Het bespotten van de slechte smaak en het materialisme van deze mensen was endemisch.

Met de oorlog in Vietnam werden de zaken nog versterkt, omdat de arbeidersklasse werd opgeroepen terwijl studenten uitstel van dienst vroegen (studenten waren in deze periode nog steeds een relatieve elite; de ​​enorme uitbreiding van het hoger onderwijs was nog maar net begonnen). Ze rechtvaardigden hun gedrag door vol te houden dat de oorlog in Vietnam onwettig was, terwijl ze het voor de hand liggende feit negeerden dat Vietnamese mensen naar het zuiden vluchtten in plaats van naar het noorden. Het was in de mode om de VS als slecht te beschouwen. De oppositie ging vaak over tot geweld met groepen als de Weathermen en SDS (Students for a Democratic Society).

In 1968 gaf ik les aan de Universiteit van Chicago. We brachten de zomer door in Colorado, en we hadden een studentenhuis naast ons appartement. Toen we terugkwamen, vonden we een politieauto die ons appartement in de gaten hield. De huisoppas had ons appartement blijkbaar tijdens de Democratische Partijconventie in een studentenhuis voor de SDS veranderd. Ons appartement lag bezaaid met hun lectuur, waaronder instructies voor het vergiftigen van de watervoorziening van Chicago.

Deze periode leek te eindigen met de verkiezing van Nixon, maar we weten nu dat dit nog maar het begin was van de lange mars door de instituties. Momenteel ligt er grote nadruk op de mars door de onderwijsinstellingen: eerst de onderwijsscholen en vervolgens het hoger onderwijs in de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen, en nu STEM. *) Wat meestal wordt genegeerd, is dat de eerste instellingen die onder de loep werden genomen, professionele verenigingen waren. Mijn vrouw woonde eind jaren zestig een bijeenkomst van de Modern Language Association bij, en die was al helemaal woke.

Hoewel er momenteel een focus ligt op het veroveren van onderwijs, denk ik dat het een vergissing zou zijn om de traditionele focus op de productiemiddelen te negeren. Het vehikel hiervoor was de verovering van de milieubeweging. Vóór 1970 lag de focus van deze beweging op zaken als walvissen, landschap, schone lucht en water, en bevolking. Met de eerste Dag van de Aarde in april 1970 werd de aandacht echter verlegd naar de energiesector, die immers van fundamenteel belang is voor alle productie en, daaraan gerelateerd, biljoenen dollars omvat.

Deze verschuiving ging gepaard met de oprichting van nieuwe milieuorganisaties, zoals Environmental Defense en de Natural Resources Defense Council. Het ging ook gepaard met nieuwe overheidsorganisaties :  de EPA en het Department of Transportation. Opnieuw waren professionele verenigingen een gemakkelijke prooi: de American Meteorological Society, de American Geophysical Union en zelfs de ereverenigingen, zoals de National Academy of Science en de American Academy of Arts and Sciences.

Er was in het begin wel wat gedoe. De beweging probeerde zich aanvankelijk te concentreren op de mondiale afkoeling, als gevolg van de reflectie van zonlicht door sulfaataerosolen die worden uitgestoten door kolengestookte elektriciteitscentrales. Tussen de jaren dertig en zeventig leek er immers sprake te zijn van mondiale afkoeling. De afkoeling eindigde echter in de jaren zeventig. Er was een extra poging om de sulfaten te binden aan zure regen, die naar verluidt bossen doodden. Ook dit idee bleek een blindganger.

In de jaren zeventig richtte de aandacht zich op CO2 en de bijdrage ervan aan de opwarming via het broeikaseffect. De aantrekkingskracht van het beheersen van CO2 op politieke controlefreaks was duidelijk. Het was het onvermijdelijke product van alle verbranding van op koolstof gebaseerde brandstoffen. Het was ook het product van de ademhaling. Er was echter een probleem: CO2 was een klein broeikasgas vergeleken met de natuurlijk geproduceerde waterdamp. Een verdubbeling van de CO2-uitstoot zou slechts leiden tot een opwarming van minder dan 1°C.

Een artikel uit de vroege jaren zeventig van Manabe en Wetherald kwam te hulp. Met behulp van een zeer onrealistisch eendimensionaal model van de atmosfeer ontdekten ze dat de veronderstelling (zonder enige basis) dat de relatieve vochtigheid constant bleef naarmate de atmosfeer warmer werd, een positieve feedback zou opleveren die de impact van CO2 met een factor 2 zou versterken. Het principe van Le Chatelier, dat stelt dat natuurlijke systemen de neiging hebben zich tegen verandering te verzetten, maar om eerlijk te zijn: dit principe was niet iets dat rigoureus bewezen was.

Positieve feedback werd nu de standaard van alle klimaatmodellen, die nu reacties produceerden op een verdubbeling van de CO2-uitstoot van 3°C en zelfs 4°C in plaats van op een schamele 1°C of minder. Het enthousiasme van politici werd grenzeloos. Deugdsignalerende elites beloofden binnen een decennium, of twee, of drie, een netto-nul-uitstoot te bereiken, zonder enig idee hoe ze dat moesten doen zonder hun samenleving te vernietigen. Gewone mensen, geconfronteerd met onmogelijke eisen aan hun eigen welzijn, hebben een opwarming van een paar graden niet erg indrukwekkend gevonden. Weinigen overwegen zich terug te trekken naar het Noordpoolgebied in plaats van naar Florida.

Opgewonden politici, geconfronteerd met dit verzet, hebben verwoed hun narratief veranderd. In plaats van minuscule veranderingen in de temperatuurmetingen te benadrukken, wijzen ze nu op extreme weersomstandigheden – die bijna dagelijks ergens op aarde voorkomen – als bewijs, niet alleen van klimaatverandering, maar ook van klimaatverandering als gevolg van de toenemende CO2-uitstoot (en nu ook van de nog verwaarloosbare bijdragen aan het broeikaseffect, zoals methaan en lachgas), ook al vertonen dergelijke extremen geen significante correlatie met de uitstoot.

Vanuit politiek oogpunt bieden extremen handige beelden die meer emotionele impact hebben dan kleine temperatuurveranderingen. De wanhoop van politieke figuren gaat vaak verder dan de bewering dat klimaatverandering een existentiële bedreiging is, ook al komen de officiële documenten die zijn verschenen om de zorgen over het klimaat te ondersteunen nooit in de buurt van deze bewering.

Ik moet opmerken dat er één uitzondering was op de focus op opwarming, en dat was de kwestie van de aantasting van de ozonlaag. Maar zelfs deze kwestie diende een doel. Toen Richard Benedick, de Amerikaanse onderhandelaar van de Conventie van Montreal die Freon verbood, op de terugweg uit Montreal het MIT passeerde, verheugde hij zich over zijn succes, maar verzekerde ons dat we nog niets hadden gezien; we moeten afwachten wat ze met CO2 gaan doen. Kortom, de ozonproblematiek vormde een opstapje voor de opwarming van de aarde.

Natuurlijk is de aantrekkingskracht van macht niet het enige dat politici motiveert. Het vermogen om biljoenen dollars toe te kennen om onze energiesector te heroriënteren betekent dat er ontvangers zijn van deze biljoenen dollars, en deze ontvangers hoeven slechts een paar procent van deze biljoenen dollars te delen om de campagnes van deze politici gedurende vele verkiezingsrondes te ondersteunen.

***

*) STEM (Science, Technology, Engineering, and Mathematics) is een onderwijsmethodiek die zich richt op de ‘harde’ wetenschappen om kritisch denken en technische kennis te ontwikkelen en probleemoplossende vaardigheden te verbeteren.

Gasputten dichten


Fig.1    Bron: NOS

De Groningse gasputten worden definitief gedicht met cement. Hoe dat gaat toont de NOS pagina over het onderwerp, met begrijpelijke plaatjes.

Maar hoe definitief is definitief? Het artikel stelt: “Volgens TNO is cement in de put storten inderdaad heel definitief. Als je daarna toch weer gas wilt winnen in dat veld, dan moet je het beton uitboren of een nieuwe put slaan. Dat kost miljoenen. Maar belangrijker: je moet er nieuwe vergunningen voor aanvragen en dat kan jaren duren. Bij onder meer Staatstoezicht op de Mijnen, TNO en het ministerie. Dit zijn langdurige procedures en bezwaartermijnen.”

Ik heb Jan, die zijn hele leven in de gasboringen heeft gewerkt, gevraagd om zijn licht eens te laten schijnen over de technische kant van de kwestie.


Fig.2    Bron: Wikipedia

Je kan een ‘well’ (boorput) op verschillende manieren ‘killen’ zoals dat in vaktermen heet. Je kan er een ‘plug’ in zetten, dat gebeurt vaak om een put tijdelijk even dood te maken voor als je b.v. een ‘wellhead’ moet wisselen. Een wellhead of putmond is de afsluiter aan het oppervlak van een olie- of gasbron dat de structurele en drukbevattende interface vormt voor de boor- en productieapparatuur (fig.2).

Wil je een boorput voor langere tijd sluiten, dan pomp je er bijvoorbeeld een zware vloeistof op zodat de statische druk van de kolom een stuk hoger is dan de ‘bottom hole pressure’, de opwaartse druk van het aardgas. Dat is een oplossing voor langere tijd. Wil je hem afsluiten met het idee dat je toch niet meer gaat produceren dan cementeer je de put met een speciaal cement. Maar als je die put weer in productie wil brengen dan boor je met gemak door dat cement heen. Men boort eigenlijk altijd door cement heen.


Fig.3    Bron: wikipedia

Een productieput is opgebouwd uit een buitenste pijp die in de grond wordt geheid. Daarna volgen meestal 3 casings. Die casings worden gecementeerd zodat ze vast zitten in de voorgaande casing. Men plaatst een casing shoe op de laatste casing, daar zit een soort van terugslagklep in en dan wordt er aan de bovenkant van de casing cement ingepompt. De casing zit dan nog vol boorspoeling. Je kan aan de return van de boorspoeling zien of het cement ook op de juiste plaats komt en niet ergens onderweg in een formatie verdwijnt. Als je op een later moment verder gaat boren moet je dus altijd eerst door een laag cement boren.

As er kans op een blow-out ontstaat pompt men het boorgat vol cement om de lekkage te dichten. Dat doen gespecialiseerde bedrijven zoals Halliburton of Schlumberger. Elke boorlocatie heeft een vaste opstelling voor een cement unit zodat ze te allen tijde kunnen ‘cementeren’. Als na een dergelijke ‘wash-out’ de casing is gecementeerd boort men gewoon verder, meestal met een sidetrack. Men freest dan een opening (‘window’) in de bestaande casing en gaat dan enigszins gedevieerd (met een bochtje) verder de formatie in (een formatie is in de geologie een eenheid van gesteente).


Fig.4    Bron: Strobel et al 2020

Door cement boren is dus geen enkel probleem. De ondoorlatende top rock of cap rock waaronder zich het poreuze reservoirgesteente met aardgas bevindt (figuur 4) is vaak veel harder dan cement. Een boorput cementeren is dus niet voor ‘eeuwig’, daar boor je zo weer doorheen. Het is ook vrij eenvoudig om naast de volgestorte put een nieuw gat te boren als je het gas echt nodig hebt. Je weet dan in elk geval dat er gas zit.

Kortom: 500m cement is technisch bezien niet definitief, zoals veel media schreven. Als men op een later moment dat gas toch nodig heeft dan is datgeen enkel probleem. Maar het is wel duur natuurlijk om eerst bestaande infrastructuur te vernietigen en dan opnieuw te beginnen, en omslachtig.

Steeds meer factcheckers met steeds meer invloed

Onlangs werd op een Facebook pagina van mij een link naar de film Climate: the Movie verwijderd. Protest hielp niet, de factcheckers van FB vonden de documentaire misleidend. Volstrekte onzin. Iets dergelijks overkwam me ook op mijn Linkedin pagina, maar dat werd na protest van mijn kant binnen een uur ingetrokken, met excuses. Zo kan het dus ook.

Er is de afgelopen paar jaar een wildgroei ontstaan van factcheckers. Een van mijn lezers stuurde me een opmerkelijke videolink daarover. Een door overheden gesponsorde instantie censureert journalistiek. Die instantie is genaamd GDI, de Global Disinformation Index. GDI werd in 2018 opgericht in het Verenigd Koninkrijk met als doel om het bedrijfsmodel van online desinformatie te verstoren door beledigende publicaties van financiering te beroven. Behalve van de Open Society Foundation van George Soros ontvangt de GDI geld van de Britse overheid (via de FCDO), de Europese Unie, het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken en een instantie genaamd Disinfo Cloud, die is opgericht en wordt gefinancierd door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

GDI definieerde de term ‘disinformation’ in eerste instantie als “opzettelijk valse inhoud, ontworpen om te misleiden”. Binnen deze strikte parameters kun je zien hoe het nuttig had kunnen lijken om toegewijde fact-checkers te hebben die de meest flagrante overtreders identificeerden. Maar sindsdien is de definitie uitgebreid naar alles wat een “tegendraads verhaal” is.  GDI-oprichter Clare Melford legde in een interview aan de LSE in 2021 uit hoe deze uitgebreide definitie “nuttiger” was, omdat het hen in staat stelde om verder te gaan dan het controleren van feiten en zich te richten op alles op het internet dat zij als “schadelijk” beschouwen:

Veel desinformatie is niet alleen of iets waar of onwaar is – het ontsnapt aan de grenzen van fact-checking. Iets kan feitelijk accuraat zijn maar toch zeer schadelijk… [GDI] leidt je naar een meer bruikbare definitie van desinformatie… Het zegt niet dat iets wel of geen desinformatie is, maar het zegt dat inhoud op deze site of dit specifieke artikel inhoud is die anti-immigrant is, inhoud die anti-vrouw is, inhoud die antisemitisch is...”

Freddie Sayers van het onderzoeksplatform UnHerd onderzocht GDI en werd door een commissie van the House of Lords uitgenodigd om uitleg te geven. GDI lijkt het topje van de ijsberg te zijn. Dat ‘scannen’ van andermans mening , eventueel gevolgd door uitsluiting, gaat grotendeels met behulp van AI. Een zeer gevaarlijke ontwikkeling. Zie de video:

Die natte winter

Fig.1    Bron: Telegraaf

De Telegraaf berichtte vanmorgen dat het afgelopen half jaar (van oktober 2023 t/m maart 2024) buitengewoon nat was. Dat klopt, ik had nog niet meegemaakt dat mijn keldervloer maanden achtereen nat was. Dat was het gevolg van een zeer hoge grondwaterstand die lange tijd aanhield. De dichtst bijgelegen peilbuis van mijn waterschap liet vanaf 2014 het volgende verloop zien van de grondwaterspiegel:


Fig.2    Data: Waterschap Aa en Maas

De jaarlijkse schommelingen in de grondwaterstand zijn vooral het gevolg van verschillen in verdamping. Die is het grootst in de zomermaanden, als de luchttemperaturen hoog zijn en er veel direct zonlicht is. Die verdamping is grofweg van april tot oktober groter dan de neerslag, waardoor neerslag in deze periode het grondwater niet meer kan aanvullen. Door afvloeiend grondwater naar de lagere delen (sloten en beken) in hoog Nederland  daalt het grondwaterpeil dan gestaag.

Goed is te zien dat de hoogste grondwaterstanden van de afgelopen winter hoger lagen dan de voorafgaande winters. De verschillen zijn niet spectaculair (tussen afgelopen winter en de vorige maar ongeveer 10 cm) maar dat kan voldoende zijn om de kelder nat te maken. Bovendien vertonen de hoogste standen van afgelopen winter een opmerkelijke brede top, gevolg van een aaneenschakeling van neerslagperiodes.

Ik kijk naar de neerslag van het afgelopen jaren in De Bilt. Dat station ligt mooi centraal in het land en de dagelijkse neerslagdata beginnen al in 1906.


Fig.3    Data: KNMI

De krant keek naar de halfjaarlijkse periode van 1 oktober t/m 31 maart, ik noem dat het winterhalfjaar. Die periode heb ik in de grafiek van figuur 3 bekeken, vanaf 1906. Te zien is dat dat laatste winterhalfjaar opmerkelijk nat verlopen is. In De Bilt viel in het winterhalfjaar 2023-2024 784 mm neerslag, het een na natste winterhalfjaar was 1998-1999 met 649 mm. Dat is een fors verschil.

Net zoals in een vorig artikel eind vorig jaar keek ik ook naar de halfjaarlijkse voortschrijdende neerslagsom in De Bilt. Dus niet de vaste periode van 1 oktober t/m 31 maart, maar onafhankelijk van de datum de neerslagsom van een periode met een lengte van een half jaar. En die periode schuift dan steeds 1 dag op (voortschrijdend). Dat ziet er dan zo uit:


Fig.4    Data: KNMI

Omdat ik nu 43.198 data moet afbeelden kon ik hier geen staafgrafiekgebruiken maar was een lijngrafiek noodzakelijk.

De grafiek ziet er ook wat de data betreft anders uit dan die van figuur 3. De laatste ‘top’ rechts heeft nu een maximum van 810 mm. Dat is de neerslagsom van 5 juli 2023 tot 3 januari 2024. Maar de hoogste top van de voortschrijdende neerslagsom is te vinden in 1998. Toen viel in De Bilt van 21 mei 1998 tot 19 november 1998 maar liefst 825 mm neerslag, iets meer dan in de winter 2023-2024. Omdat dat natste halfjaar van 1998 plaatsvond in de zomer en herfst, waren de gevolgen voor de grondwaterstand vanwege de hoge zomerverdamping  veel kleiner dan de afgelopen winter.

Flink wat wateroverlast dus afgelopen winter. Maar er zijn ook voordelen. Een ervan is het feit dat het hoogveenontginningsgebied De Peel momenteel een ongekend hoge waterstand heeft. Droge jaren zijn funest voor dit type natuurgebied. Die droogte is een vele malen grotere bedreiging voor dit natuurgebied dan de veelbesproken stikstofdepositie. De Zuidelijke Rekenkamer schrijft in het rapport Natuurdoelstellingen Peelvenen :

” Natuurbehoud Peelvenen: hoge waterstand is topprioriteit. De grootste uitdaging voor hoogveenlandschap is nat blijven. Wanneer, door daling van de waterstand, zuurstof in het veen binnendringt, breekt het veen 20 keer zo snel af dan dat het zich onder waterverzadigde omstandigheden nieuw vormt. Uiteindelijk dient een plek met actieve veenvorming zo’n 95% van de tijd waterverzadigd te zijn. Als aan die randvoorwaarde is voldaan dan loopt het regeneratieproces als het ware vanzelf, want een gezond en robuust hoogveenlandschap is in hoge mate zelfregulerend.”