COP26 en kernenergie

Fig.1    COP26

The COP26 summit will bring parties together to accelerate action towards the goals of the Paris Agreement and the UN Framework Convention on Climate Change.”

Zo staat de komende UN (start 31 oktober) klimaatconferentie in Glasgow beschreven op de website van COP26. Zoals altijd zullen enkele duizenden deelnemers uit alle hoeken van de wereld ingevlogen worden om 14 dagen te vergaderen over wat omschreven wordt als ‘de klimaatcrisis’. Dat levert altijd het vermakelijke en tegelijk zorgwekkende beeld op van veel vliegtuigen die van en naar Glasgow vliegen, vol met mensen die gaan vergaderen over beperking van de CO2 uitstoot.

En dan zijn er deze keer ook de restricties en protocollen met betrekking tot Covid19. Maar die beperkingen zullen weinig tot geen effect hebben op het aantal deelnemers denk ik. Je vraagt je af waarom deze conferentie niet via het beeldscherm gehouden wordt?

Nu is er een rel ontstaan rond COP26. Naast de conferentieruimtes wordt er een zogenaamde Groene Zone ingericht. Die Groene Zone wordt aangekondigd als een ruimte waar organisaties “workshops, paneldiscussies en keynote speeches” kunnen organiseren die “dialoog, bewustmaking, onderwijs en engagementen” inzake de klimaatcrisis bevorderen. Die Groene Zone wordt beheerd door de Britse regering, die liet weten dat er veel belangstelling is van organisaties om deel te nemen in de Groene Zone. Een woordvoerder wees erop dat vanwege de beperkte capaciteit niet alle aanvragers een plaats konden krijgen.

Vanuit de hoek van kernenergie zijn ook aanvragen gedaan voor deelname in de Groene Zone. Niet alleen de World Nuclear Association (de grootste niet-gouvernementele “vereniging” op het gebied van kernenergie ter wereld) wil graag deelnemen, maar er zijn daarnaast ook een aantal andere exposanten uit de kernenergiewereld die graag een plaatsje willen. Dat is logisch, op het gebied van CO2-vrije elektriciteitsproductie is kernenergie een belangrijke speler.

Nu blijkt dat niet alleen de World Nuclear Association geen plaats krijgt in de Groene Zone, maar dat alle exposanten op het gebied van kernenergie zijn geweigerd. Dat kan natuurlijk geen toeval zijn. De World Nuclear Association heeft per brief geklaagd bij de organisatie van COP26. Die brief begint zo:

Fig. 2    Bron: WNO

De hele brief is via de link te lezen. Het wordt uiteraard niet openlijk uitgesproken, maar de weigering om geen enkele kernenergie-gerelateerde organisatie of bedrijf toe te laten is zonder twijfel het gevolg van grote druk vanuit de milieubeweging. Een Schotse milieugroep, Friends of the Earth Scotland,  zei dat het “juist” was om de nucleaire industrie buiten de deur te houden.  Een woordvoerder zei:  “The nuclear industry’s disastrous history of cost and time overruns show very clearly that what they offer would be too little, too expensive and far too late.” ”With renewables and energy efficiency cheaper and quicker to build and run than nuclear, they have already lost this argument and should have no place to spout their lies at COP26.” (The Ferret)

Ik denk dat de ideologisch gedreven afwijzing van kernenergie een symptoom is van het irrationele karakter van de milieubeweging. Kernenergie heeft zijn waarde al lang en breed aangetoond. Maar argumenten tellen niet, kernenergie móet en zál bestreden worden. De hang van de milieubeweging naar wind- en zonne-energie gaat voorbij aan het feit dat beide slechts marginaal iets kunnen betekenen in de energiehuishouding, en dat tegen een hoge prijs.

Fig.3    Bron: Greenpeace

En dan die ‘duurzame’ biomassacentrales! Alleen dank zij de toenemende protesten vanuit de bevolking tegen die biomassacentrales – die vooral draaien dankzij massale bomenkap– keert de milieubeweging zich schoorvoetend af van die vorm van elektriciteitsopwekking. Windmolens omarmen en kernenergie afwijzen wijst op een irrationele kijk op de manier waarop we het aandeel van fossiele brandstoffen kunnen verminderen. Het zijn dogma’s geworden. Dogma’s horen thuis in de kerk en niet in de politiek.

Per Terrawattuur aan elektriciteit veroorzaken kolencentrales 24,6 doden. Bij biomassa zijn dat 4,6 doden, bij gas 2,6 en bij zonne-, wind- en kernenergie minder dan 1. Dat is inclusief de ongelukken van Tsjernobyl en Fukushima. Bij die laatste stad bracht een tsunami dood en verderf en beukte een kerncentrale kapot. Er kwamen 16.000 mensen om door het water, en niet één door het onklaar raken van de kerncentrale. Lees hier.

Kernenergie heeft veel last van foutieve beeldvorming. Dat komt vooral door het verspreiden van angst door milieuorganisaties en mainstream media. Dat verspreiden van angst is onterecht en natuurlijk ronduit verwerpelijk. Lees hoe media kernenergie al decennialang framen in een artikel van dr. Mirjam Vossen op basis van een recente publicatie van haar.

2021 verloopt koud.

Data: KNMI

Het jaar 2021 verloopt tot nu toe opmerkelijk kouder dan het gemiddelde van de afgelopen 30 jaar 1991-2020. Alleen de maanden februari en juni van dit jaar waren warmer dan het klimatologisch gemiddelde, met respectievelijk 0,4 en 2,1 graden. De rest van de maanden zit onder het gemiddelde. April was relatief verreweg de koudste maand, met 3,2 graden onder het klimatologisch gemiddelde voor april. Augustus 2021 loopt hier t/m de 25e, maar het ziet er niet naar uit dat de laatste dagen van augustus deze maand nog boven het klimaatgemiddelde kunnen tillen.

Dat is echter geen tegenvaller voor de klimaatconferentie COP26, die vanaf 31 oktober in Glasgow plaatsvindt. Er is altijd wel een plek op aarde te vinden waar het heet, of droog of nat is, of waar een storm woedt. Kranten, radio en tv zullen ook zonder hoge temperaturen in Nederland u wel weten op te warmen voor die klimaattop 😉 !

Is de huidige opwarming ongeëvenaard?

Fig.1    Bron: KNMI

Bovenstaande grafiek toont de gemiddelde jaarlijkse temperatuur op aarde zoals berekend door Hadcrut in Groot-Brittannië. De temperatuur op aarde is volgens Hadcrut tussen 1850 en 2020 gestegen met 1,04 °C. De grafiek laat zien dat de temperatuur op aarde steeg tussen 1910 en 1945 en vanaf 1976. Tussen 1850 en 1910 en tussen 1945 en 1976 daalde de temperatuur op aarde licht. In zijn algemeenheid gaat men er van uit dat de temperatuurstijging in de gehele periode het gevolg is van de stijging van het atmosferisch CO2 gehalte door menselijk handelen (fossiele brandstoffen, boskap et cetera). In het jongste IPCC-rapport lees ik: “Observed increases in well-mixed greenhouse gas (GHG) concentrations since around 1750 are unequivocally caused by human activities.” En: “It is very likely that well-mixed GHGs were the main driver of tropospheric warming since 1979”.

Fig.2    Data: EEA/ NOAA

Figuur 2 toont het verloop van het atmosferisch CO2-gehalte sinds 1750. De inzet linksonder toont het logaritmisch verloop van het temperatuureffect van de stijging van het CO2-gehalte. De schommelingen in de temperatuurlijn van figuur 1 worden daarmee niet verklaard.

Nu is het aantal stations dat rond 1850 temperatuurdata verschafte waarschijnlijk op de vingers van enkele handen te tellen.  Daarom denk ik dat Hadley Centre verschrikkelijk zijn best heeft moeten doen om van dat handjevol datareeksen in de 19e eeuw een wereldgemiddelde te kunnen berekenen. Voorzichtig dus met die oudere werelddata.

Toch zijn juist die oude meetgegevens van groot belang, al is het alleen al vanwege  het feit dat er de laatste tijd nogal wordt gezwaaid met ‘sterkste opwarming ooit gemeten’ als het om recente cijfers gaat. Vandaar dat ik vandaag mijn aandacht richt op de langste meetreeks ter wereld, de CET.

Fig.3    Bron: Parker et al 1991

Meten is weten; een ouderwets gezegde, maar in deze tijd van klimaatmodellen meer waar dan ooit.  Er is een grote behoefte aan meer duidelijkheid over antropogene klimaatveranderingen. Kennis van de natuurlijke variabiliteit van klimaat is daarbij onontbeerlijk, en dus zijn lange homogene meetreeksen nodig. Maar die zijn schaars.

De CET  (Central England Temperature) dataset is de langste instrumentele temperatuurreeks  in de wereld. De reeks van gemiddelde dagelijkse gegevens begint in 1772 en die van gemiddelde maandelijkse gegevens al in 1659. Deze dag- en maandtemperaturen zijn representatief voor het gebied dat in figuur 3 omgeven is door de rode lijn.

Natuurlijk zijn ook in de CET-reeks de oudere data onbetrouwbaarder dan recente data. Maar de CET-reeks is een ensemble van stations. Dat verkleint de afwijkingen doordat er gemiddeld wordt. Bovendien maak ik gebruik van jaargemiddelde temperaturen.

Fig.4    Bron: MetOffice

Figuur 4 toont de jaardata van CET vanaf 1659 t/m 2020 met een 11-jaars gemiddelde lijn. Als we de 11-jaarlijks gemiddelde lijn bekijken valt op dat de lijn nogal fluctueert. De laatste tijd wordt graag de nadruk gelegd op de opwarmingstendens in de afgelopen decennia. In de meteorologie worden 30-jaar gemiddelden gebruikt om de klimatologie (het gemiddelde weer) te bepalen. Een tijdvenster van 30 jaar lijkt daarom een prima uitgangspunt om te bezien of in de CET-reeks die recente opwarming wel zo uitzonderlijk is.

De centrale vraag hier is nu: hoe ziet de opwarming in de afgelopen 30 jaar er uit, vergeleken met alle andere periodes van 30 jaar sinds 1659 in de CET-reeks. Om dat in beeld te krijgen ga ik voor elk van de voortschrijdende 30-jarige perioden in de CET-reeks van 1659 t/m 2020 de richtingscoëfficiënt van de lineaire regressielijn bepalen. Zo krijg ik voor elk 30-jarig tijdsvenster (‘window’) een beeld van de snelheid waarmee Centraal Engeland in elk tijdvenster opwarmde.

Fig.5    Data:  MetOffice

De grafiek van figuur 5 toont voor elk van de 30-jarige perioden de snelheid van opwarming. Het eerste venster betreft dan de periode 1659-1688. De opwarming van een bepaalde periode van 30 jaar wordt in het laatste jaar van die periode in de verticale as weergegeven in °C/eeuw. De tweede periode is die van 1660-1689, waarbij dezelfde berekening toegepast wordt, enzovoorts.

Opvallend aan de grafiek is dat de hoogste waarden niet alleen worden gemeten in de recente decennia maar ook rond 1700. De periode 1691-1720 warmde op met een snelheid van 5 °C/eeuw, de periode 1976-2007 liet dezelfde opwarmingssnelheid, 5 °C/eeuw, zien.

Wat minder lang dan de CET-reeks maar toch ook respectabel lang is de Labrijnreeks, ook wel de Zwanenburg/De Bilt reeks genoemd,  die vanaf 1706 loopt. De Labrijnreeks is een samengestelde reeks, een samenvoeging van reeksen van een zestal stations: Delft, Rijnsburg, Zwanenburg, Haarlem, Utrecht en De Bilt:

Fig.6    Bron: KNMI

Het mag duidelijk zijn dat, net zoals bij de CET-reeks, ook bij de Labrijnreeks behoorlijk wat werk gestoken is in het homogeniseren van de data zodat er een bruikbare en betrouwbare historische reeks ontstond.

Fig.7    Data: KNMI

De grafiek van figuur 7 toont –analoog aan die van de CET-reeks- voor elk van de 30-jarige tijdvensters in de Labrijnreeks de snelheid van opwarming. Het eerste venster betreft de periode 1706-1735. De opwarming van een bepaalde periode van 30 jaar wordt in het laatste jaar van die periode in de verticale as weergegeven in °C/eeuw.

Figuur 7 van de Labrijnreeks lijkt sterk op figuur 5 van de CET-reeks, met dien verstande dat de sterke opwarming rond 1700 in Engeland hier ontbreekt. Doordat de Labrijnreeks pas in 1706 begint ontbreken eventuele opwarmingscijfers van rond 1700.

Fig.8    Data: MetOffice en KNMI

De grafiek van figuur 8 toont de 11-jaars gemiddelde temperaturen van zowel CET als Labrijn. Beide reeksen tonen een opvallend sterke correlatie met een  r2=0.72. Die correlatie is natuurlijk niet zo verwonderlijk, want beide meetgebieden liggen nog geen 350 km van elkaar verwijderd.

Fig.9    Data: MetOffice en KNMI

De grafiek hierboven laat zien dat de verschillen tussen Labrijn en CET van jaar tot jaar gering zijn. Over het algemeen zijn de jaartemperaturen in Engeland wat hoger dan in Nederland. Uitzondering vormen de meest recente jaren waarin Labrijn omhoog schiet terwijl CET reeks geen trend vertoont.

Fig.10      Data: MetOffice en KNMI

Als we 11-jaars gemiddelden van CET en Labrijn per seizoen vergelijken (figuur 10) dan valt op dat de opwarming van de afgelopen jaren in Nederland met name plaatsvindt in lente en zomer. In de herfst en winter volgen beide temperatuursignalen elkaar goed (zie R kwadraat). De grotere invloed van de zee in Engeland is te zien in de lagere zomertemperaturen en de hogere wintertemperaturen in Engeland.

Zoals gezegd: kennis van de natuurlijke variabiliteit van klimaat is onontbeerlijk, en daarom zijn lange homogene meetreeksen nodig. Hoe langer hoe beter, en daarin verslaat de CET-reeks de Labrijnreeks. Doordat de CET-reeks al in 1659 begint is de opvallende opwarming zichtbaar die plaats vond  in de periode 1691-1720. In die periode was er sprake van een opwarming met een snelheid van 5 °C/eeuw.  De recente opwarming in de periode 1976-2007 laat dezelfde opwarmingssnelheid zien van 5 °C/eeuw.

De Labrijnreeks begint pas in 1706, waardoor bovengenoemde historische opwarming ‘gemist’ wordt. Een goed voorbeeld van het nut van lange meetreeksen. Gezien de sterke correlatie tussen de CET-reeks en de Labrijnreeks lijkt het niet onaannemelijk dat er ook in Nederland rond 1700 ook sprake geweest moet zijn van een opvallende langdurige opwarming.

De stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur sinds eind jaren ’70 van de vorige eeuw (zie figuur 1) wordt door het IPCC vrijwel volledig toegeschreven aan de mens.  Nu moet men uiteraard oppassen met  een een-op-een vergelijking tussen het verloop van de gemiddelde wereldtemperatuur en een historische regionale reeks als CET, alleen al vanwege de schaalverschillen. Anderzijds maakt de CET-reeks onderdeel uit van die gemiddelde wereldtemperatuur en zijn er ongetwijfeld meer plekken op aarde waar de temperatuur zich in het verleden ontwikkeld heeft zoals in Centraal Engeland. De Labrijnreeks in Nederland is daar een voorbeeld van.

In Centraal Engeland steeg de temperatuur tussen 1691 en 1720 maar liefst 1,5 °C. Datzelfde gebeurde tussen 1976 en 2007. Het verschil is echter dat de sterke opwarming rond 1700 niet toegeschreven kan worden aan CO2-emissies door de mens. Hier moet dus wel sprake geweest zijn van natuurlijke variabiliteit. Maar wat was de oorzaak? Het antwoord daarop kan van belang zijn voor de verklaring van de recente opwarming.

Fig.11    Data: MetOffice

Tot slot: ter illustratie van de sterke opwarming rond 1700 in de CET-reeks toont figuur 11 een grafiek van de opwarmingssnelheid in tijdvensters van 50 jaar in plaats van 30 jaar. De sterkste opwarming van 1,9 °C  (3,8 °C/eeuw) in een 50-jarig tijdvenster vond plaats in de periode 1688-1737. In recente tijd (1958-2009) kwam de opwarming niet verder dan 1,3 °C (2,6 °C/eeuw).  

Dat nieuwe IPCC rapport

Fig.1    Bron: Wynia’s Week

‘Klimaatrapporten zijn een stuk voorspelbaarder dan het klimaat. Deze week kwam alweer het zesde IPCC klimaatrapport uit, en afgaande op de ‘Summary for Policymakers’ staat er niets wezenlijk nieuws in.’  Zo begint het artikel van Arnout Jaspers in de blog Wynia’s Week.

Jaspers is onafhankelijk wetenschapsjournalist en heeft de belangrijkste stukken van het zojuist verschenen IPCC rapport gelezen. Natuurlijk niet alle 3945 pagina’s, dat is ondoenlijk, maar wel de Summary for Policymakers en de Technical Summary. Hij raadt eenieder af om dat hele rapport te lezen, en vergelijkt het met het Chinese partijprogramma: ‘elke zes jaar moeten alle afgevaardigden opdraven om te laten zien dat de neuzen nog dezelfde kant op staan’.    

Jaspers noteert dat het uitbrengen van het AR6 rapport met aansluitend de obligate alarmkreten in de media veel weg heeft van een rituele dans die elke 7 jaar herhaald wordt. In zijn artikel legt hij uit wat er zoal aan dat IPCC rapport schort, en doet dat aan de hand van 6 punten:

1 Elk IPCC-rapport is een politiek document
2 In dit IPCC-rapport staat eigenlijk niks nieuws
3 Dit rapport geeft wel iets meer duidelijkheid over de ‘klimaatgevoeligheid’
4 IPCC-rapporten zijn veel te dik
5 IPCC-rapporten hebben diverse gekleurde brillen op
6 Lees wat dit IPCC-rapport echt zegt over ‘kantelpunten’ 

Een scherpe analyse denk ik. Lees het hele artikel hier.

Fig.2    Bron: IPCC

Elk IPCC-rapport is een politiek document beweert Jaspers, en hij heeft gelijk. Het schema in figuur 2 toont de diverse stappen die een nieuw IPCC-rapport ondergaat voordat het uitgebracht wordt. Met een rood kader heb ik de momenten in het proces weergegeven waar overheden invloed uitoefenen. Met een paars kader heb ik in het schema weergegeven waar de niet-wetenschappelijke onderdelen van de IPCC-organisatie invloed uitoefenen op het rapport. Dat geldt voor de zogenaamde ‘Technical Summary’ maar sterker nog voor de ‘Summary for Policymakers’. Bij het ontstaan van de Summary for Policymakers is de invloed van overheden groot en heeft soms weinig meer te maken met het werk van die paar honderd wetenschappers die het auteursteam  van het Technical Report vormen.

Fig.3    Bron: IPCC

Op de keper beschouwd is die sterke invloed van de politiek in de IPCC-rapporten niet zo verwonderlijk. Op 6 december 1988 werd een resolutie in de UNO aangenomen die het startsein gaf voor de oprichting van het IPCC, het Intergovernmental Panel on Climate Change. Het IPCC is primair een politiek orgaan, waarvan al bij de oprichting in 1988 vast lag dat klimaatverandering vooral mensenwerk is en bestreden dient te worden. Zie het fragment in figuur 3, dat stamt uit die UNO oprichtingsresolutie nr. 43-53. De opdracht van het IPCC is dus op voorhand gericht op de menselijke invloed op het klimaat en het bestrijden daarvan. Geen goed uitgangspunt voor wetenschappelijk werk lijkt me.

Fig.4    Bron: Volkskrant

Hoe worden wetenschappers auteur van een IPCC rapport? Officieel is er sprake van een voordracht per land. Die voordracht wordt geregeld vanuit een focal point. In Nederland is het focal point bij het KNMI gelegd. Soms worden mensen uitgenodigd om auteur te worden, soms reageren wetenschappers op een oproep. Een voorbeeld van beide is te vinden in het interview met enkele auteurs van het rapport 2021 dat de Volkskrant op 8 augustus gepubliceerd heeft. Bart van den Hurk van Deltares was ‘verrast’  dat hij benaderd werd door het IPCC. Dat moeten we denk ik met een korreltje zout nemen, want Bart  was voor het vorige IPCC-rapport AR5 ook al auteur.

Aimée Slangen van het NIOZ gaf zich op nadat ze een oproep had gezien: ‘De selectie is streng: uit Europa waren er zeven keer zo veel aanmeldingen als plekken.’ Dat laatste zal ongetwijfeld waar zijn, maar ook Aimée was geen onbekende voor het IPCC: ze was bij het vorige rapport ‘expert reviewer’. Expert reviewers reviewen de tekst van auteurs en geven commentaar. Het commentaar van en reviewer moet bekeken worden, maar vaak wordt het afgedaan met weinig zeggende opmerkingen als ‘daar en daar wordt daar al aandacht aan besteed’.

Fig.5    Bron Opiniez

Bron: Opiniez

Reviewers zijn dus formeel ten opzichte van het IPCC buitenstaanders, ze hebben zich vaak zelf aangemeld. De Belg Ferdinand Meeuws, expert op het gebied van chemie, fotofysica en fotochemie, was expert reviewer bij het jongste IPCC-rapport. Hij schreef vorig jaar een artikel op Opiniez over zijn ervaringen. Onderstaande is een fragment daaruit:

“Het IPCC heeft sinds zijn oprichting vijf Assessment-rapporten gepubliceerd. Het IPCC doet zelf geen onderzoek. De rapporten worden geschreven door een selectie van wetenschappers, die erkend zijn als expert op hun gebied, en die de taak hebben om de relevante wetenschappelijke publicaties te lezen en te analyseren en verschillende opinies af te wegen en samen te vatten. In de praktijk worden zij gekozen en voorgedragen door regeringen en de uiteindelijke selectie gebeurt door een klein groepje personen in dienst van het IPCC samen met de hoofdauteurs van het vorige rapport.

Daarna moeten de uitverkoren wetenschappers (de hoofdauteurs) hun eigen publicaties en hun eigen persoonlijke besluiten vergelijken met die van andere wetenschappers die, zoals dat in de wetenschap gebruikelijk is, soms afwijkende of tegenstrijdige resultaten publiceren. Er moet dus afgewogen worden. Is het wit, zwart of grijs, of we weten het niet zeker ?

Helaas vindt zo’n afweging van verschillende opinies niet of onvoldoende plaats. Door het selectieproces van hoofdauteurs ontstaat er een automatisme om het vorige rapport steeds maar te bevestigen en afwijkende onderzoeksresultaten niet mee te nemen in de besluitvorming. Vanuit de positie van de IPCC-Chair is er duidelijk een politieke boodschap voor continuïteit.

Voor het schrijven van de uiteindelijke tekst van een bepaald hoofdstuk is er een duidelijke pikorde die begint bij de Contributing Author, vervolgens via de Lead Author naar de Coordinating Lead Author, om dan te eindigen bij het hoogste niveau van co-Chair en Chair. Het is echter vooral de Lead Author als expert in een bepaald vakgebied, die uiteindelijk zal beslissen of het wit of zwart is of grijs met spikkels. Per hoofdstuk is er één Lead Author (soms twee).

Het is hoofdzakelijk de mening van de hoofdauteur die zijn weg vindt naar de uiteindelijke tekst van elk technisch hoofdstuk. En die boodschap van de Lead Author komt dan meestal in de Samenvatting voor Beleidsmakers, die lijn per lijn wordt gecontroleerd door vertegenwoordigers van de deelnemende regeringen. Deze laatste controle is hoofdzakelijk om het klimaatverhaal in te passen in een breed politiek kader.”

Enkele Jaren geleden deed het InterAcademy Council (IAC) een onderzoek naar de kwaliteit van de processen en procedures bij het IPCC en had nogal wat aanmerkingen. Er is daarna inderdaad wat verbeterd, de coöptatie (nieuwe leden van een groep worden aangewezen door andere leden) is verminderd en meer ‘nieuwe’  auteurs zijn aangetrokken. Maar desondanks blijven de stoelen rond de overlegtafels van elk hoofdstuk vooral bezet door mensen die het grotendeels met elkaar eens zijn.

Fig.6    Bron: Lewis&Curry 2018

Hoe werkt dat? Als voorbeeld punt 3 uit het artikel van Jaspers, dat dit rapport iets meer duidelijkheid over de ‘klimaatgevoeligheid’ ( =de temperatuurgevoeligheid voor een verdubbeling van het atmosferisch CO2-gehalte ) geeft vergeleken met het vorige. In het vorige rapport, AR5, is de schatting daarvan gelegen tussen 1,5 °C en 4,5 °C. Aan die cijfers is te zien dat de wetenschap het toen verre van eens was over die gevoeligheid. Door selectief wetenschappers uit te nodigen als auteur kunnen de uitkomsten voor het volgende rapport gestuurd worden. Dat heeft niets te maken met twijfels over de validiteit van het werk van onderzoekers die niet uitgenodigd worden, die is meestal niet in het geding.

Dat laatste lijkt bij het huidige rapport gebeurd te zijn. Die ‘duidelijkheid’ is met name ontstaan door wetenschappers die in peer reviewde publicaties concludeerden dat de klimaatgevoeligheid lager was dan tot dan toe werd aangenomen (Lewis&Curry 2015, Lewis&Curry 2018, Otto et al 2013) , niet meer uit te nodigen als auteur. Zo kun je natuurlijk  ‘meer duidelijkheid’ en ‘overeenstemming’ creëren.

Tot slot: conclusies van het IPCC worden vastgelegd in artikelen zoals artikel A.1.3 uit het jongste rapport:

A.1.3 The likely range of total human-caused global surface temperature increase from 1850–1900 to 2010–201911 is 0.8°C to 1.3°C, with a best estimate of 1.07°C. It is likely that well-mixed GHGs contributed a warming of 1.0°C to 2.0°C, other human drivers (principally aerosols) contributed a cooling of 0.0°C to 0.8°C, natural drivers changed global surface temperature by –0.1°C to 0.1°C, and internal variability changed it by –0.2°C to 0.2°C. It is very likely that well-mixed GHGs were the main driver12 of tropospheric warming since 1979, and extremely likely that human-caused stratospheric ozone depletion was the main driver of cooling of the lower stratosphere between 1979 and the mid-1990s.

De tekst laat zien dat het IPCC gebruik maakt meeteenheden die de mate van zekerheid van de bevindingen moeten weergeven. Op basis van statistische analyse van observaties of modelresultaten, of van expertoordeel krijgt een uitspraak dan een label. Dit zijn de gehanteerde klassen:

extremely likely              =             ≥ 95 % waarschijnlijkheid
very likely                         =             ≥ 90 % waarschijnlijkheid
likely                                 =             ≥ 66 % waarschijnlijkheid
about as likely as not     =             33 – 66 % waarschijnlijkheid
unlikely                             =             ≤ 33 % waarschijnlijkheid
very unlikely                    =             ≤ 10 % waarschijnlijkheid
exceptionally unlikely    =             ≤ 1 % waarschijnlijkheid

De getallen geven de indruk van exactheid, maar de keuze voor een bepaald label is vooral op basis van ‘expert opinion’.  Hand opsteken dus. Het verschil tussen het nieuwe en het vorige rapport is dat uitspraken vaak een hoger label opgeplakt krijgen. Dus bijvoorbeeld van likely naar very likely, zelfs ook als onderliggende data nauwelijks veranderd zijn. Harder schreeuwen als je vind dat je onvoldoende gehoord wordt lijkt het.

Het nieuwe rapport van het IPCC

Gisteren uitgebracht met veel tromgeroffel. Nou ja, de inleidende muziek was al weken hoorbaar in main stream media, die er alles aan doen om het rapport over het voetlicht te brengen. Ik heb het rapport gisteren gedownload, het is maar liefst 3949 pagina’s dik, dus ik hoop dat niemand van me verwacht dat ik er al uitgebreid over schrijf. Maar wat ‘bladeren’ laat zien dat het vergeleken met het vorige rapport AR5 er nog een tandje bijgezet is om het allemaal nog angstaanjagender te maken.

Clintel heeft gisteren een eerste reactie uitgebracht in het Engels. Voor wie dat liever in het Nederlands leest heb ik een vertaling van de Clintel reactie hieronder gezet. Ik ben het volledig met deze eerste reactie van Guus Berkhout en Jim O’Brien eens:

9 augustus 2021

CLINTEL heeft een voorlopige beoordeling uitgevoerd van de vandaag gepubliceerde IPCC Summary for Policymakers (SPM) van het AR6 WGI-rapport (on the Physical Science). Het blijkt dat de SPM, net als in eerdere rapporten, vatbaar is voor overdrijving van gegevens en dus een weinig objectieve basis biedt voor beleidsvorming.

Verrassend genoeg hebben klimaatwetenschappers uit IPCC-kringen vorige week nog toegegeven dat hun nieuwe AR6-generatie van klimaatmodellen “oververhit” en dus te alarmistisch zijn. De bekentenis doet ook vragen rijzen over de betrouwbaarheid van de temperatuurvoorspellingen van de vorige generatie modellen van het IPCC in het AR5-rapport van 2014, waarin een extreem hoog RCP8.5-emissiescenario werd gebruikt, dat vaak ten onrechte wordt aangeprezen als een business-as-usual-case en wordt gebruikt om extreme klimaatmaatregelen te bevorderen.

Uit onafhankelijke waarnemingen was al gebleken dat de CMIP5-modellen te gevoelig waren voor de toename van broeikasgassen, waarschijnlijk met een factor twee. De combinatie van een te hoge klimaatgevoeligheid en te hoge emissieprognoses resulteerde in onwaarschijnlijk hoge temperatuurprognoses. Aangezien de modellen van de nieuwe generatie nog warmer lijken te draaien, maken zij de overeenkomstige scenario’s in het AR6 foutief hoog.  IPCC-wetenschappers zelf vragen zich af of hun modellen wel te vertrouwen zijn als beleidsinstrument. “Het is het afgelopen jaar of zo duidelijk geworden dat we niet om deze bekentenis heen kunnen“, vertelde Gavin Schmidt – directeur van NASA’s Goddard Institute for Space Studies – aan het gerenommeerde tijdschrift Science.  Schmidt zei ook: “Je eindigt met cijfers voor zelfs de nabije toekomst die waanzinnig eng zijn – en verkeerd.

De nieuwe scenario’s van een temperatuurstijging tegen 2100  tot 5°C ten opzichte van 1850 zijn niet consistent met de huidige opwarming van ongeveer 0,15°C per decennium, wat een verdere stijging van slechts 1,2°C tegen 2100 impliceert.

De SPM-grafiek van de mondiale temperaturen in de afgelopen 2000 jaar wekt weinig vertrouwen, omdat de Romeinse en Middeleeuwse opwarmingsperioden (met temperaturen die vergelijkbaar of zelfs hoger waren dan nu) en de Kleine IJstijd (met de laagste temperaturen in die twee millennia) niet worden vermeld.

De voorspellingen van het wereldgemiddelde zeeniveau tot 2100 lijken eveneens overdreven. Gegevens van getijdemeters sinds 1900 wijzen op een stijging van 2,1 mm per jaar, terwijl 27 jaar aan satellietgegevens wijzen op 3,3 mm per jaar. Uitgaan van het hoogste cijfer betekent een verdere stijging met slechts 25 cm tegen 2100.

De algemene beweringen in het SPM over de toename van de frequentie en intensiteit van extreme weersomstandigheden lijken niet te stroken met eerdere IPCC-rapporten. De basis voor deze beweringen, met name voor toegenomen droogtes, zal nader worden beoordeeld in onze analyse van het volledige WGI-rapport. Veel van de huidige onafhankelijke waarnemingen wijzen in feite op een grotere frequentie van extreme weersomstandigheden in het verleden.

CLINTEL heeft consequent betoogd dat het klimaat weliswaar verandert, deels door antropogene invloeden, maar dat er geen klimaatcrisis is, en dat het klimaatbeleid moet worden gebaseerd op voorzichtige kosteneffectieve aanpassing in plaats van op onbetaalbare ineffectieve mitigatie. Het nieuwe SPM biedt weinig objectief bewijs om deze sterk gekoesterde overtuigingen te wijzigen.

Guus Berkhout, President of CLINTEL (https://clintel.org),
Jim O’Brien, Irish CLINTEL ambassador, Chair of the ICSF (www.ICSF.ie)

.

In gesprek met Ferdinand Meeus

Tegenwoordig kan men geen krant, weekblad of maandblad meer open slaan zonder te lezen over de ‘klimaatcrisis’. In de Verenigde Staten en vooral in Europa smeden bestuurders ambitieuze plannen ter verduurzaming van de economie, en naar men zegt bestaat er een verreikende consensus onder wetenschappers dat de opwarming van de aarde aan menselijk handelen te wijten is. Er zijn echter gelukkig nog altijd mensen die alle opwinding met enige scepsis bezien. Een van hen is Ferdinand Meeuws, expert reviewer bij het Intergovernmental Panel on Climate Change en kritisch wetenschapper. Binnenkort komt het zesde klimaatrapport van het IPCC naar buiten. Meeus twijfelt of het IPCC wel naar de kritische kanttekeningen van de expert reviewers heeft geluisterd en vreest dat het komende rapport vanwege tunnelvisie in lijn van de vorige rapporten ligt.

Marlies Dekkers in gesprek met Ferdinand Meeus, doctor in de chemie/fotofysica/fotochemie over het IPCC, klimaatwetenschap, CO2, energie, Frans Timmermans en nog veel meer.

De temperatuur op Antarctica

Fig.1   Bron: KNMI

Diverse lezers wezen me op een recent KNMI-bericht over het temperatuur dagrecord op Antartica. Figuur 1 toont de kop van dat bericht. WMO (Wereld Meteorologische Organisatie) heeft een nieuw warmterecord op station Esperanza bevestigd. Esperanza is gelegen op het Antarctisch Schiereiland (Peninsula). Daar werd op 6 februari 2021 een maximum temperatuur van 18,3 °C gemeten. Volgens hetzelfde bericht stamde het vorige record (van 17,5 °C)  uit 2015 en was gemeten op hetzelfde Argentijnse station.

Fig.2    Bron: AD

Die temperaturen zijn opmerkelijk, want vorig jaar was er sprake van een record op 9 februari 2020 van meer dan 20 °C  (zie figuur 2). Dat record was gemeten op Seymour Island, eveneens op een Argentijnse basis. De kranten stonden er destijds vol mee, en voor het NOS journaal was het de gehele dag een nieuwsitem. Het zou een verbetering zijn van het warmterecord uit 1982 toen het op Signy Island 19,8 °C geworden zou zijn.  Zie mijn bericht hierover van 23-2-2020.

In het bericht van 24 -2-2020 ben ik nader ingegaan op dit record uit 2020 van maar liefst 20,75 °C, dat gemeten zou zijn op de basis Marambio op Seymour Island. Merkwaardig was dat Wetteronline niet voor 9 februari maar voor 10 februari op Marambio een maximum temperatuur liet zien van net geen 16 °C, en de Argentijnse Meteo Dienst  (SMN) voor 9 februari op Marambio een T max van 15 °C. Wetteronline noteerde voor 9 februari 2020 een maximum temperatuur van 10,4 °C. Dat laat deze grafiek uit een derde bericht over dit onderwerp zien:

Fig.3   Bron: Klimaatgek

Ik heb over deze kwestie destijds een email geschreven naar de WMO (Wereld Meteorologische Organisatie) en Wetteronline. WMO berichtte mij dat het record eerst gevalideerd diende te worden door de WMO. Van Wetteronline heb ik destijds niets vernomen. Het is in dit licht bezien natuurlijk heel opmerkelijk dat er nu op de site van het KNMI sprake is van een nieuw record op 6 februari 2021 van 18,3 °C, terwijl er vorig jaar sprake was van een record van 20,75 °C. Ik vermoed dat dat record van vorig jaar stilletjes in de prullenbak van de WMO is verdwenen.

Nu is me al vaker opgevallen dat veel media tuk zijn op records, met name warmterecords. Die worden binnengehaald als Olympische medaillewinnaars. Voor het KNMI was dit nieuwe dagrecord blijkbaar aanleiding om wat te schrijven over het landijs op Antarctica en de stijgende zeespiegel en Nederland. Nu zijn er voldoende goede redenen om een dagrecord op station Esperanza niet te gebruiken als aanleiding om te schrijven over afsmelten van landijs en stijging van de zeespiegel. In de eerste plaats is een dagrecord als Tx (maximum temperatuur) een momentopname. Voor het duiden van langdurige processen zoals afsmelten van landijs en zeespiegelstijging is een dagrecord volstrekt ongeschikt, daar heb je langjarige meetreeksen voor nodig, het liefst zoveel mogelijk en zo lang mogelijk. En die zijn er nauwelijks op Antarctica. De stations waar men langer dan 70 jaar meet zijn op de vingers van een hand te tellen.

Fig.4    Bron: https://www.add.scar.org/

In de tweede plaats zijn meetdata van station Esperanza niet geschikt om algemene conclusies te trekken over het landijs op het continent Antarctica. Esperanza ligt op het uiterste puntje van het Antarctisch Schiereiland, op 63,4° ZB,  ruim buiten de Zuidpoolcirkel (figuur 4). De afstand van Esperanza tot de Zuidpool is ongeveer gelijk aan die van Reykjavik tot de Noordpool. Bovendien is het Antarctisch Schiereiland zoals het een schiereiland betaamd omgeven door water. Die ligging maakt dat de weerkundige en klimatologische omstandigheden van het Schiereiland niet te vergelijken zijn met de door landijs bedekte Oost- en West-Antarctica.

Fig.5    Bron: KNMI

Het KNMI-artikel heeft daar echter geen boodschap aan en koppelt dramatisch afsmelten van landijs en stijging van de zeespiegel zonder gêne aan het dagrecord op Esperanza, zoals figuur 5, 6 en 7 tonen.

De opmerking dat de afgelopen 50 jaar de temperaturen op het Antarctische Schiereiland  met zo’n 3 °C zijn gestegen zal ik hieronder checken. Heel raar is dat wordt beweerd dat -omdat meer dan 99 procent van het Antarctische continent bedekt is met sneeuw en ijs-  ”zulke hoge temperaturen” zorgen voor een sterke toename van de ijskap. Welke hoge temperaturen worden hier bedoeld? Toch niet die ene dag in februari 2021 dat het 18,3 °C werd op station Esperanza, hoop ik. In ieder geval niet de temperaturen op station Amundsen-Scott, op het dak van het landijs, waar het in 2020 gemiddeld -48,2 °C werd. En ook niet op 3000 km afstand van de Zuidpool, op station Esperanza, waar de gemiddelde zomertemperatuur al 40 jaar schommelt tussen de 0 en 2 °C.Fig.6    Bron: KNMI

Veel wat in het artikel als ‘feit’ wordt weergegeven is in werkelijkheid een kettingredenering van aannames die niet gedekt worden door observaties. En waar leidt dit alles volgens het KNMI toe? Ik lees: “Een sterke verdere opwarming in dit gebied kan leiden tot een snelle en onomkeerbare ‘afbrokkeling’ van de ijskap.”  En dat laatste is dan weer het opstapje naar de volgende rampspoed, namelijk de zeespiegelstijging die vooral voor Nederland desastreus kan uitpakken:Fig.7    Bron: KNMI

Ik lees verder: “Hoge temperaturen in het zuidpoolgebied en een sterke afsmelting van de Antarctische IJskap betekenen slecht nieuws voor Nederland.” En dat allemaal naar aanleiding van het feit dat op 6 februari 2021 op station Esperanza een maximum dagtemperatuur van 18,3 °C gemeten is.  Wat een geleuter. Trouwe lezers van deze website weten intussen wel dat ik elk jaar van de 6 hoofdstations langs de Nederlandse kust de relatieve zeespiegelstijging sinds 1901 weergeef, en dat er tot nu toe in die reeks van 120 jaren geen enkele versnelling meetbaar is. Dat komt overigens prima overeen met het feit dat er op Antarctica geen observaties zijn van ‘dramatisch’ afsmelten van landijs.

Fig.8    Bron: Zhu et al (2021)

Hoe zit het met de ontwikkeling van de temperaturen op Antarctica op langere termijn?

Zoals gezegd zijn op Antarctica lange termijn waarnemingsdata schaars. De meeste weerstations liggen ook nog eens aan de kust, wat het klimaatonderzoek op Antarctica beperkt. Bovendien zijn veel datasets kort of incompleet zodat hun waarde voor klimatologisch onderzoek beperkt is. Volgens een recent onderzoek vertonen het Antarctisch Schiereiland en West-Antarctica een opwarmingstendens, maar op het grootste deel van Antarctica, (Oost-Antarctica) wordt geen significante temperatuurverandering waargenomen (Zhu et al 2021).

Fig. 9    Bron: Zhu et al (2021)

Zhu et al deden onderzoek naar de ERA5 reanalyses dataset van Antarctica en vergeleken die met de temperatuurwaarnemingen. Ze maakten gebruik van 41 datasets die ik hier ook als uitgangspunt zal nemen, zie figuur 9. Ik wil gebruik maken van datasets die de periode 1981-2020 omvatten en (vrijwel) compleet zijn. Met name die laatste eis doet veel stations afvallen, de stations die wel aan de eisen voldoen, 17 stuks, zijn met geel gemarkeerd. Dat zijn 8 stations op het Antarctisch Schiereiland en 9 op Oost Antarctica. De maanddata zijn afkomstig van British Antarctic Survey.

Fig.10    Data: BAS

Er ontbreken helaas temperatuurdata van West Antarctica (zie kaart figuur 8). In datareeksen van stations McMudo en Belgrano II (figuren 10) ontbreken te veel data om ze te gebruiken.

Fig.11    Bron: SCAR (Scientific Committee on Antarctic Research)

De kaart van figuur 11 laat de ligging zien van de 17 gebruikte stations. De stations zijn met blauwe rondjes en zwarte letters aangegeven. Opvallend is dat 6 van de 8 stations op het Schiereiland zich buiten de Zuidpoolcirkel bevinden. Het dagrecord uit het KNMI bericht op station Esperanza ligt ver buiten de zuidpoolcirkel: alleen station Orcada ligt nog verder. Wat opvalt is dat het met name op het noordelijk deel van het Antarctisch Schiereiland wemelt van de onderzoekstations (rood en blauw), terwijl West- en Oost-Antarctica vrijwel leeg zijn. Dat heeft te maken met de goede toegankelijkheid van deze regio.

Fig.12    Data: SCAR

Figuur 12 toont het verloop van de gemiddelde jaartemperatuur van de 8 stations op het Antarctisch Schiereiland. De gemiddelde temperatuurstijging op de 8 stations in de periode 1981 t/m 2020 is +0,6 °C. Vergelijk dat met de uitspraak in het KNMI artikel: “…het noordelijkste deel van Antarctica, waar de temperaturen de afgelopen vijftig jaar met zo’n 3 °C zijn gestegen”. Weliswaar heb ik over een periode van 40 in plaats van 50 jaren gemeten, maar het verschil tussen 0,6 °C en 3 °C  is daar niet door te verklaren.

Fig. 13    Data: SCAR

Van Esperanza is de beschikbare temperatuurreeks wat langer. Figuur 13 toont het verloop van de gemiddelde jaartemperatuur van 1970 t/m 2019. Tussen 1970 en 2019 nam de temperatuur op Esperanza toe met 1,5 °C. Esperanza is met zijn ligging op het noordelijkste puntje van het Schiereiland het minst koude plekje van het Schiereiland, maar zelfs hier blijft die opwarming beperkt en is maar de helft van de 3 °C die het KNMI claimt voor het gehele Schiereiland. Van de 8 onderzochte stations op het Antarctisch Schiereiland is alleen San Martin harder opgewarmd dan Esperanza.

Fig.14    Data: SCAR

Figuur 14 laat de gemiddelde temperatuurontwikkeling zien van de 9 stations op Oost-Antarctica. Doordat met name de datareeks van Vostok incompleet is vertoont de grafiek ‘gaten’. Het temperatuurverloop op Oost-Antarctica vertoont geen opwarming en is zelfs licht negatief.

Fig.15    Data: SCAR

De grafiek van figuur 15 toont de gemiddelde jaartemperatuur van 8 stations op Oost-Antarctica als de incomplete reeks van Vostok verwijderd wordt. Dezelfde conclusie: het temperatuurverloop op Oost-Antarctica vertoont geen opwarming en is zelfs licht negatief.

Conclusie: met het ‘smeuïge’ verhaal over het dagrecord op Esperanza gaat het KNMI  volgens mij buiten zijn wetenschappelijke boekje. De suggestie wordt gewekt dat die 18,3 °C gemeten op de zomermiddag van 6 februari 2021 op Esperanza iets te maken heeft met de klimatologie van het gehele continent. Dat is onzin. Het KNMI-artikel is daardoor meer een activistisch pamflet dan een objectief informerend verhaal zoals je dat van het KNMI mag verwachten.

Het KNMI suggereert in haar bericht ten onrechte  dat het dagrecord op Esperanza iets te maken heeft met mogelijk grootschalig afsmelten van het Antarctische landijs, en daarmee met een toename van de zeespiegelstijging die een gevaar vormt voor Nederland. Van grootschalig smelten van het Antarctische landijs is echter geen sprake. Dat de snelheid waarmee de zeespiegel voor de Nederlandse kust stijgt  een goede graadmeter zou kunnen zijn voor de snelheid waarmee het  Antarctisch landijs smelt is op zich correct. Alleen: de absolute zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust voltrekt zich al 120 jaar in hetzelfde tempo van nog geen 15 cm per eeuw en vertoont geen enkele versnelling. Hoe duidelijk wil je het hebben?

De extreme neerslag van 13 en 14 juli

Fig.1    Data: wow.knmi.nl

Bovenstaande grafiek toont de neerslagsom per etmaal in de periode van 12 t/m 16 juli 2021. Meteo Parkstad is een amateur weerstation in Eygelshoven, een van de 5 amateurstations die de extreme neerslag hebben gemeten. Op 14 juli tikte de neerslagmeter bijna 120 mm aan, extreem hoog voor Nederlandse begrippen. Over enkele weken zijn de data van de acht officiële KNMI neerslagstations in Zuid-Limburg bekend en dan zal waarschijnlijk een deel daarvan (in het oosten) de hoge neerslagsommen van de amateurstations bevestigen.

De zeer grote hoeveelheden neerslag die op 13 en 14 juli j.l. gevallen zijn in oostelijk Zuid-Limburg en de aangrenzende Ardennen en Eifel hebben veel vragen opgeroepen. De belangrijkste zijn hoe dit heeft kunnen gebeuren en of dit een voorteken is voor vaker dergelijke gebeurtenissen door wat men ‘klimaatverandering’ noemt. Er wordt van alles over gezegd en geschreven, en soms spreken deskundigen elkaar zelfs tegen.

Fig.2    Data: KNMI

Figuur 2 heb ik in een vorig bericht gebruikt en laat de hoeveelheid dagen en etmaalsommen zien sinds 1901 van de 13 neerslagstations die de L13 reeks genoemd worden. Te zien is dat vooral tussen 1990 en 2010 het aantal dagen met zware neerslag (≥ 50mm) toegenomen is. De dagen met extreme neerslag  (≥ 80mm) zijn geel/beige gekleurd. Opvallend is dat die extreme neerslag in een strook direct achter de kustlijn gevallen is. Dergelijke zware neerslag valt vooral in de zomer, zoals figuur 3 laat zien:

Fig.3    C.Brauer 2007

Lees verder