Categoriearchief: Geen categorie

JH model deel 2

In het bericht van 15 april 2021 heb ik geschreven over de jonge wiskunde- en informaticastudent Jippe Hoogeveen die zelf een model bedacht heeft dat het temperatuurverloop in De Bilt vanaf 1901 kan simuleren.  Dat model is gebaseerd op zogenaamde lineaire regressie. Dat is een statistische techniek voor het analyseren van gegevens waarin (mogelijk) sprake is van een specifieke samenhang. Deze samenhang houdt in dat de waarde van een afhankelijke variabele afhangt van een of meer in principe instelbare vrij te kiezen variabelen. De afhankelijke variabele is hier de jaartemperatuur van De Bilt. Hierbij is gebruik gemaakt van de ongehomogeniseerde data, maar dat maakt voor de jaartemperaturen nauwelijks uit.

Fig. 1    Data: KNMI

De waarde van de onafhankelijke variabele of instelvariabele wordt bepaald door de keuzes die door de modelmaker gemaakt worden. In dit geval is niet 1 maar een set onafhankelijke variabelen gebruikt. De dominante variabele is de zogenaamde ‘weersituatie’: van elke dag is een viertal factoren vastgelegd: de ligging van het brongebied van de luchtmassa die naar Nederland stroomt, de bocht die de luchtmassa beschrijft op weg naar Nederland, de luchtdruksituatie  en de windsnelheid. Kortom, de luchtcirculatie. In het vorige bericht is dat beschreven.

Het effect van de luchtcirculatie wordt op de volgende manier berekend: je kijkt naar de weersituaties van de afgelopen 5 dagen. Voor elke weersituatie (dus bijvoorbeeld N,G) heb je een bepaald effect dat alleen afhangt van de dag in het jaar. Hierbij heb je 4 referentiewaarden, namelijk het effect op 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober. Het effect van elke andere dag wordt hier dan uit afgeleid als gewogen gemiddelde van de 2 dichtstbijzijnde referentiewaarden. Het totale effect van de luchtcirculatie wordt dan het gemiddelde van die afgelopen 5 dagen. Verder wordt de luchtcirculatie ook op langere termijn meegenomen, namelijk via de zee: dit is een extra variabele die langzaam reageert op het effect van de luchtcirculatie.

Later zijn andere factoren toegevoegd zoals de andere dominante factor van de instraling van de zon (Q), de TSI (Total Solar Irradiance, de hoeveelheid zonne-energie die de aarde ontvangt aan de buitenkant van de atmosfeer), de AMO-index (Atlantic Multidecadal Oscillation), de schommeling in de watertemperatuur van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan en het atmosferische CO2-gehalte.  Met dit model is vervolgens verder gerekend en kon Jippe tenslotte vrijwel alle systematische temperatuurvariaties in Nederland verklaren:

Fig. 2    Data: KNMI en Jippe Hoogeveen

In figuur 2 is goed te zien dat het model heel goed de sterke fluctuaties van de gemeten jaartemperatuur volgt.  Maar liefst 85% van alle variaties in de jaarlijkse gemiddelde temperatuur van De Bilt kunnen met behulp van het model worden verklaard. Dat is erg hoog. Het lineair regressiemodel is dus goed in staat om het verloop van de temperatuur op jaarbasis in De Bilt van 1901 t/m 2015 te verklaren.

De dominante factor in het model is de luchtcirculatie: waar komt de binnenstromende lucht vandaan (brongebied en stromingstraject)? Alleen al met deze factor wordt 81% van de temperatuurfluctuaties in De Bilt verklaard.

Fig. 3    Data: KNMI

Om de kwaliteit van het model te toetsen is gekeken naar de zogenaamde ‘sprong’ in de temperatuur van De Bilt  (en vele andere stations) rond 1988. Figuur 3 laat die sprong zien voor de maanden januari, februari en maart waarin de sprong maximaal was. In de grafiek is de gemiddelde temperatuur van 1961 t/m 1987 weergegeven met een rode lijn, voor de periode 1988 t/m 2015 is hetzelfde gedaan. Die gemiddelden zijn respectievelijk 2,94 °C en 4,74 °C, een sprong van maar liefst 1,8 °C.

De stijging van de jaargemiddelde temperatuur in De Bilt vanaf 1980 is deels verklaarbaar door het proces dat brightening heet en in zijn engste betekenis het gevolg is van de afname van aerosolen in de lucht boven Europa. In een bredere betekenis speelt ook de afname van bewolking een rol van betekenis. De toename van Q (instraling) is daar een gevolg van, zie onder andere hier en hier. Die temperatuursprong van bijna 2 °C in 1988 is al een paar keer op deze website besproken, zie hier en hier. Die sprong is door diverse onderzoekers geanalyseerd en is niet alleen in West-Europa bestudeerd maar ook in andere regio’s. De belangrijkste oorzaak is waarschijnlijk een snelle verandering van de luchtcirculatiepatronen op het NH, met als gevolg voor West-Europa een versterkte aanvoer van relatief zachte lucht, met name in de winter.

Om te bezien of het JH model die sprong adequaat reproduceert is van de gemiddelde temperaturen van De Bilt van 1961 t/m 2015 de modeldata afgetrokken. Het residu is in figuur 4 weergegeven.

Fig. 4

De rode lijnen geven ook hier de gemiddelde temperatuur weer van de periode 1961-1987 en 1988-2015 voor januari tot en met maart. De waarden van de gemiddelden zijn respectievelijk -0,017 en 0,016 °C en de puntenwolk is symmetrisch verdeeld tussen +1,2 °C en -1,2 °C. Er is in het residu geen sprong waarneembaar: het verschil tussen de gemiddeldes voor en vanaf 1988 is ongeveer 0,03 °C wat verwaarloosbaar is. Dit suggereert dat het model niet over- of ondercorrigeert. Verder is ook mooi te zien dat het residu een stuk minder variaties vertoont dan de gemeten temperatuurwaarden van De Bilt. Al met al suggereren deze resultaten dat het model betrouwbaar is. Heel opvallend is dat de variabele CO2 nauwelijks effect heeft op het model: zonder de variabele CO2 is het model zelfs iets beter dan met CO2! 

Al met al heeft Jippe een heel fraai model geproduceerd dat verrassend goed  de temperatuurvariaties van de jaartemperatuur in De Bilt. Daarbij is de luchtcirculatie duidelijk de dominante variabele, gevolgd door de instraling. Ook opvallend is dat het model laat zien dat CO2 nauwelijks een rol van betekenis speelt in die verklaring. Zonder twijfel kan het model nog wat verbeterd worden, maar het feit dat 85% van alle variaties in de jaarlijkse gemiddelde temperatuur van De Bilt sinds 1901 met behulp van het model verklaard kunnen worden is een prestatie van betekenis!

Voor diegenen die nadere informatie over het model willen verkrijgen kunnen de maker per email benaderen: jippehoogeveenklimaatgek@gmail.com.

Peterson meets Lomborg

Prof. Jordan Peterson spreekt met dr. Bjorn Lomborg. Lomborg is een bekende econoom en directeur van het Copenhagen Consensus Center. Het Copenhagen Consensus Center is een denktank die oplossingen voor ‘s werelds grootste problemen onderzoekt en publiceert. Centraal hierbij staan altijd twee vragen: hoeveel kost een bepaalde oplossing en hoeveel hebben we er als mensheid aan. Je kunt immers je geld maar één keer uitgeven.

Lomborg gaat er van uit dat klimaatopwarming een bedreiging vormt voor de mensheid en dat de belangrijkste oorzaak van die opwarming de mens is. Zijn uitgangspunt is derhalve conservatief, maar dat zit zijn scherpe analyses niet in de weg. Misschien zorgt dat er zelfs voor dat er beter naar hem geluisterd wordt. Hij prikt onwaarheden als beweringen dat ‘er nu veel meer klimaatslachtoffers zijn dan vroeger’ genadeloos door en stelt dat de enorme bedragen die ingezet worden voor mitigatie vaak weggegooid geld zijn.

Kortom, een erg interessant gesprek tussen twee slimme mensen!

Die koude aprilmaand

In het bericht van 7 april j.l. heb ik teruggekeken naar het koude begin van dit jaar en de maandgemiddelde temperaturen van De Bilt vergeleken met de ‘normaal’. De normaal is het gemiddelde weer voor de periode 1991-2020. Van de drie eerste maanden waren de maanden januari en maart kouder dan de normaal. In januari 2021 was het gemiddeld 3,4 °C (de normaal is 3,6 °C), februari 2021 was wat warmer dan de normaal met 4,3 °C ten opzichte van 3,9 °C normaal. En maart was met 6,4 °C een beetje kouder dan de normaal van 6,5 °C.  Ik schreef toen: “Niet spectaculair maar de start van dit jaar tot nu toe is koud, zeker als je het vergelijkt met 2020 toen de maandgemiddelden respectievelijk 6,2 °C, 7,2 °C en 6,8 °C waren”.

Intussen hebben we ook april 2021 achter de rug en die maand was erg koud. De normaal voor april is 9,9 °C, maar april 2021 tikte slechts 6,7 °C aan. Dat is ver onder de normaal. De officiële KNMI temperatuurreeks van de Bilt begint in 1901.  Dat zijn ruim 120 jaren. Van die 120 jaren waren er slechts 16 koudere aprilmaanden vergeleken met april 2021. Omdat ik merkte dat de nachten erg koud waren heb ik ook naar Tn gekeken, de minimum temperatuur per etmaal. Die was in De Bilt afgelopen april gemiddeld 1,6 °C. Slechts 6 van de afgelopen 120 aprilmaanden waren kouder als je naar Tn kijkt.

Fig. 1    Bron: Pixabay

Dit opvallend koude begin van april was geen Nederlands fenomeen: vrijwel heel Europa heeft last van ongewone koude. In april werden in Zuid Frankrijk temperaturen gemeten van onder de -10 °C. Men vreest in Frankrijk daardoor voor enorme schade aan de fruitteelt. Maar ook elders in Europa was het raak. Cap Allon van de website electroverse.net schreef daar onlangs over. Allon houdt opvallende kou over de hele wereld in de gaten en schrijft daar regelmatig over.

Maar ook elders in de wereld is 2021 opvallend koud begonnen. Een kennis die in Japan woont spreekt al enkele maanden over opvallende koude en ongekende sneeuwval. En Noord-Amerika kent ook een zeer koude start van dit jaar. OP 3 mei j.l. viel er in Colorado Springs (zie de video) een flink pak sneeuw, ongehoord voor de maand mei op die plek. Ook Zuid-Korea gaat de afgelopen dagen gebukt onder uitzonderlijke sneeuwval.

Fig. 2    Bron: NPO

Meteorologe Helga van Leur deed op 24 april j.l. in het radioprogramma Nieuwsweekend opmerkelijke uitspraken over het koude begin van 2021 in Europa. Presentatrice Mieke van der Weij begon het praatje met de opmerking  dat Noorse wetenschappers een verband zien tussen smeltend poolijs en lentesneeuw in Europa. Van Leur legde een verband tussen die bevindingen en het koude weer in Europa. De slingerende straalstroom werd er bij gehaald, veel onduidelijkheid allemaal, en geleuter, en de uiteindelijke conclusie was dat er maar één oplossing is, namelijk ophouden met CO2 uitstoten.

Ik heb toch even gekeken naar de publicatie waarop haar verhaal gebaseerd was. Dat is een recente paper van Bailey et al, getiteld Arctic sea-ice loss fuels extreme European snowfall. Die publicatie gaat over wintersneeuw: in gebieden waar het ’s winters altijd koud genoeg is voor sneeuw zal minder drijfijs kunnen leiden tot meer vocht en dus meer sneeuw. In het Nature-artikel gaat het om februari/maart in Noord Scandinavië, en niet over sneeuw in de rest van Europa. De kern van het onderzoek is een analyse van data van waterdamp-isotopen in arctisch Finland. Het artikel schetst wel een ‘vergezicht’ voor het jaar 2080 waarin meer verdamping kan leiden tot meer sneeuwval in Europa. Klimaatalarmisten (ook sommige meteorologen zijn dat) slaan makkelijk aan op zulke schrikbarende vergezichten blijkt maar weer eens.

Overigens is het niet de eerste keer dat de afname van drijfijs op de Noordpool in verband wordt gebracht met extreme kou op gematigde breedte. In een studie in het tijdschrift Nature Climate Change uit 2019 concludeerden onderzoekers van het KNMI en de Universiteit van Exeter dat een afname in zee-ijs niet de koudegolven veroorzaakt: fluctuaties in de atmosferische circulatie zorgen gelijktijdig voor zowel een afname in zee-ijs als koudegolven op gematigde breedtes.

Fig.3    Bron:  Dr. Roy Spencer

Dat het overigens over de hele wereld de afgelopen maanden flink kouder geworden is laat de meest recente grafiek van UAH zien (figuur 3). Dat die daling een aanzet is tot verdere afkoeling staat echter nog te bezien. Een deel van die temperatuurdaling sinds begin 2020 is gerelateerd aan de ENSO (figuur 4) die vanaf de zomer van 2020 negatieve cijfers laat zien. Er is sprake van La Niña omstandigheden en die doen de aardse temperatuur altijd dalen. Het klimaatsysteem is erg ingewikkeld blijkt maar weer eens.

Fig. 4    Bron: NOAA

 

EU: kernenergie duurzaam

Fig.1    Bron: World Nuclear News

Op 21 april heeft de Europese commissie door middel van een communiqué haar besluit aangekondigd om kernenergie op te nemen in de zogenaamde EU taxonomie-verordening. Het besluit volgt op de recente publicatie van het rapport van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek waarin wordt bevestigd dat kernenergie even duurzaam is als andere door de EU ‘goedgekeurde’ energietechnologieën.

De TEG (Technical Expert Group) heeft een vuistdik rapport opgesteld waarin de groep concludeert dat kernenergie niet méér schade toebrengt aan de menselijke gezondheid of het milieu dan enige andere energie producerende technologie die als duurzaam wordt beschouwd. Dat is goed nieuws voor eenieder die vaart wil maken met de afname van de CO2 uitstoot. Lees verder

CO2-daling als gedachte-experiment

De EU heeft als doel gesteld om in het jaar 2050 ‘klimaatneutraal’ te zijn. Dat is een rare term. Meestal bedoelt men er mee dat fossiele brandstoffen vervangen worden door ‘duurzame’ primaire energiebronnen zoals wind en zon. Dat kan natuurlijk helemaal niet, heeft Friso Sikkema al ettelijke malen voorgerekend, maar laten we er van uitgaan dat het wel kan.

Belangrijke vraag is nu wat dat betekent voor het CO2-gehalte in de atmosfeer. Want ‘klimaatneutraal’ impliceert immers dat door het vervangen van fossiele brandstoffen door duurzame energiebronnen het CO2-gehalte in de atmosfeer zal dalen en wel zoveel dat het een merkbaar effect op het wereldklimaat zal hebben. Laten we een gedachte-experiment doen en een jaar lang alle CO2-uitstoot door fossiele brandstoffen in de EU op 0 zetten. Wat voor effect zal dat hebben op het CO2-gehalte in de atmosfeer?

Op dit moment is de CO2-uitstoot per jaar door het gebruik van fossiele brandstoffen in de EU ongeveer 2000 miljoen ton CO2. Het leuke is nu dat dat gedachte-experiment het afgelopen jaar 2020 echt heeft plaats gevonden. Volgens het IAE (International Energy Agency) daalde in 2020 vanwege Covid-19 de wereldwijde energie-gerelateerde CO2-uitstoot met 5,8%. Dat was de grootste jaarlijkse procentuele daling sinds de Tweede Wereldoorlog. In absolute cijfers daalde de uitstoot met bijna 2000 miljoen ton CO2  tot 31,5 Gton (31,5 miljard ton), volgens het IEA een daling vergelijkbaar dus met de huidige jaarlijkse uitstoot van de EU.

Fig. 1    Bron: IAE

Figuur 1 toont de daling van de CO2-uistoot per maand in 2020 vergeleken met 2019. Het dieptepunt werd bereikt in april, toen de uitstoot 14,5% lager was dan in 2019. Te zien is dat in december de uitstoot weer op het oude peil was. Vorig jaar heb ik twee pogingen (zie hier en hier) gedaan om die emissiedaling van 14,5% in april 2020 terug te zien in het atmosferisch CO2-gehalte zoals dat sinds 1958 gemeten wordt op het meetstation Mauna Loa op Hawai. Het resultaat was negatief. Lees verder

Het goede doel…

De nieuwste film van Marijn Poels, “Het Goede Doel Heiligt de Middelen” is een prachtige film die tegelijk ook keihard is en een ontluisterend beeld geeft van hoe onze democratie functioneert. Must see!!

Instralingsgevoeligheid update

Op 1 december j.l. publiceerde ik het bericht “De zon en de opwarming van Nederland” over de berekening van de instralingsgevoeligheid. Diverse lezers reageerden met de opmerking dat bij de berekening van S (instralingsgevoeligheid) op basis van de etmaalcyclus wél gerekend werd met dT/dQ  maar bij de jaarcyclus gerekend werd met T/Q. Die opmerking is terecht, dat is een onbedoelde fout. Omdat inmiddels ook de data van 2020 beschikbaar zijn wordt het tijd om de berekening opnieuw te doen. Ik zal dat doen aan de hand van de data van station De Bilt.

Fig. 1    Data: KNMI

Figuur 1 toont voor station De Bilt de gemiddelde temperatuur T ( °C) per maand in de periode 1981-2020 en de gemiddelde instraling Q (kJ/cm2) per maand voor dezelfde periode. Zetten we T en Q per maand af in een grafiek dan komt dat er zo uit te zien:

Fig. 2    Data: KNMI

Figuur 2 laat zien dat er een tijdvertraging optreedt van T ten opzichte van Q van ongeveer 1 maand. Die vertraging is goeddeels het gevolg van het feit dat de luchttemperatuur boven het land na-ijlt op de instraling als gevolg van de warmtebuffering van het zeewater.

Fig. 3    Data: KNMI Lees verder

April = geril

Fig. 1    Bron: KNMI

De temperatuurpluim van het KNMI geeft de verwachting weer voor de komende twee weken. De zwarte lijn is de voorspelling, de dikte van de grijze banden geeft aan hoe zeker de verwachting is. Hoe smaller de band, des te zekerder de verwachting. Hoe verder in de tijd, des te groter  de onzekerheid van de verwachting.

Te zien is dat in De Bilt de verwachting is dat morgen, dinsdag 20 april 2021, de maximum temperatuur de rode doorgetrokken lijn raakt. Die rode lijn is het 15-daags voortschrijdend gemiddelde maximum berekend over de afgelopen 30 jaren. In de nacht van dinsdag op woensdag zal de minimum temperatuur even de blauwe lijn raken, de gemiddelde minimum temperatuur. Beide gebeurtenissen zijn in april 2021 een zeldzaamheid, de meeste andere dagen zullen waarschijnlijk (veel) kouder zijn dan de rode en blauwe lijn. Die rode en blauwe lijn zijn  ‘de normalen’ voor de tijd van het jaar, ofwel de ‘langjarige gemiddelden’.  Daarmee zal april waarschijnlijk de derde maand van 2021 worden met lagere temperaturen dan ‘normaal’. Een koud begin van het jaar.

Het JH model

Fig. 1     Data: KNMI

Ik heb al eens eerder enkele pogingen  gewaagd om de temperatuurverandering in Nederland te verklaren aan de hand van de gewijzigde luchtcirculatie. De meest recente poging was gebaseerd op de gemeten windrichting per etmaal in De Bilt vanaf 1904, ruim anderhalf jaar geleden. Hier vindt u deel 1 van een kleine serie.

Figuur 1 toont het resultaat daarvan op jaarbasis.  De data zijn gesmoothed met een Loessfilter span 0.2. Daarbij vallen enkele dingen op. Het meest opvallende is dat ZW-wind al vanaf 1904 dominant is en steeds dominanter wordt. ZW wind brengt over het algemeen zachte lucht binnen. Tegelijk zien we dat het aandeel van W-wind vanaf 1904 een dalende trend vertoont. Het brongebied van W wind ligt over het algemeen wat noordelijker dan van ZW-wind. Het is daardoor aannemelijk dat als gevolg hiervan de temperatuur in Nederland gestegen is.

NO- wind laat vanaf 1970 een dalende trend zien. Deze windrichting brengt met name in de winter zeer koude lucht naar ons land. ’s Zomers brengt de wind vanuit het NO vaak koele maar soms warme lucht binnen. Het is dus van belang om per seizoen de ontwikkeling van NO wind te bekijken, maar gemiddeld brengt NO-wind koele tot koude lucht. Z-wind brengt altijd warme lucht binnen en vertoont vanaf 1990 een sterk stijgende trend.

Conclusie: op basis van het jaarlijks voorkomen van de windrichtingen mag verwacht worden dat de veranderingen in de luchtcirculatie de temperatuur in Nederland hebben doen stijgen. De vraag hoe groot die opwarming vanwege de veranderde luchtcirculatie is geweest is met bovenstaande data slechts te schatten.

Fig. 2    Naar Meteo Julianadorp Lees verder

Aantal mistdagen in De Bilt

Ik lees altijd graag de column van Ionica Smeets in de Volkskrant. Het is een van de twee ‘wiskundemeisjes’, veel lezers kennen die nog wel denk ik. De andere is Jeanine Daems, oud-leerlinge van de middelbare school waar ik lesgaf. Ik herinner me nog dat Jeanine op het gebied van wiskunde buitengewoon begaafd was. Ionica ongetwijfeld ook, ze is natuurlijk niet voor niets hoogleraar science communication aan de Universiteit Leiden.

Afgelopen zaterdag ging de column over het schatten van percentages. Sommige voorbeelden waren nieuw en verbazingwekkend. Die van de kans dat er in een klas van 30 leerlingen 2 leerlingen zijn die op de zelfde datum jarig zijn (70%) liet ik vaak schatten door mijn leerlingen. Velen waren stomverbaasd (ik ook) dat de kans zo groot is. Een voorbeeld uit de column van zaterdag was de kans dat je in De Bilt een dag met mist hebt: 23,6%. Als het over weer en klimaat gaat doe ik soms even een fact check, en kwam iets vreemds tegen.

Fig. 1    Data: KNMI

Over mist spreek je als het zicht minder dan 1000m is. Het KNMI houdt dat in De Bilt vanaf 1955 bij en maakt daar tabellen van. Ik was dat al eens eerder tegengekomen, maar nu zag ik het weer nadat ik van de mistdata van het KNMI een grafiek had gemaakt: er zit een rare sprong in de tijdreeks van het aantal mistdagen per jaar in De Bilt 1955-2020. Die sprong zit van 2001 naar 2002. Een dergelijke sprong wordt meestal veroorzaakt door het wisselen van meetinstrument of meetlocatie. De exacte oorzaak van die discontinuïteit is te vinden op de KNMI website: “Sinds 2001 is de waarnemer door een automaat vervangen, die weliswaar nauwkeuriger meet maar waarvan de uitkomsten niet te vergelijken zijn met de eerdere waarnemingen.”. Nee dat mag je wel zeggen: de nieuwe reeks vanaf 2002 heeft helemaal niets meer te maken met de reeks 1955-2001.

Toen ik dit voor de eerste keer tegenkwam (bericht van 13 september 2020) heb ik gekeken of die knik ook te zien was in de grafiek die het aantal mistdagen met mist overdag weergaf. De data zijn uit de meetreeks gefilterd voor de tijd van 6 uur ’s ochtends tot 18 uur in de namiddag. De grafiek figuur 2 is t/m 2020 bijgewerkt:

Fig. 2    Data: KNMI

Van een sprong tussen 2001 en 2002 is hier geen sprake. Dus moest de knik wel zitten in de nachtelijke waarnemingen:

Fig. 3    Data: KNMI

Figuur 3 toont de tijdreeks voor de resterende uren van 18 tot 06 uur. En inderdaad, de sprong verschijnt weer. Wat is hier aan de hand? Men ging in 2002 over van persoonlijke uurwaarneming naar geautomatiseerde waarneming. Er zijn mijns inziens twee mogelijkheden. De eerste is dat de waarnemingen ’s nachts niet goed te doen waren en het aantal misturen ’s nachts daardoor sterk onderschat is.  Je kunt je er wat bij voorstellen.  De tweede mogelijkheid zou kunnen zijn dat de sprong te maken heeft met de overgang van 1-uurlijkse menselijke waarnemingen naar geautomatiseerde continumetingen/meerdere metingen per uur. De kans dat je bij dat laatste een keer ‘mist’ waarneemt neemt dan vanzelfsprekend toe. Het KNMI weet ongetwijfeld het antwoord.

Terug naar Ionica, die meldt dat de kans 23,6% is dat het op een dag in De Bilt mist. Omgerekend zijn dat 86 mistdagen. Hoe komt Ionica aan die 86? Als ik naar figuur 1 kijk kom ik er niet uit. Het jaar 2020 leverde 82 mistdagen, de ‘geautomatiseerde’ periode 2002-2020 levert een gemiddelde van 77 dagen op. Neem je het gemiddelde van de klimatologische periode 1991-2020 dan is het aantal mistdagen slechts 66  omdat de sprong dan in de reeks zit. Dat laatste (die sprong) geldt ook als je het gemiddelde van de gehele periode 1955-2020  berekent, dan kom je uit op 70 dagen. Of heeft het KNMI de sprong intussen ‘weg gemasseerd’  door de data van 1955-2001 te corrigeren?

Kortom, die 23,6% kan ik niet vinden. Het is natuurlijk ook niet zo belangrijk, maar ik zou het stiekem toch best wel willen weten.