Domino-effect


Fig.1    Bron: Pixabay

Onder domino-effect verstaat men een opeenvolging van onvermijdelijke gebeurtenissen, waarvan steeds een bepaalde gebeurtenis, behalve de eerste die alles in gang heeft gezet, veroorzaakt wordt door de voorgaande. Meestal betreft het in het bijzonder negatieve gebeurtenissen, zoals oorlogen, ongevallen en rampen. Soms kan het effect zichzelf versterken en spreekt men van sneeuwbaleffect.


Fig.2    Bron: Volkskrant

De maatregelen van Tennet in Limburg en Noord-Brabant en Liander in Noord-Holland om voorlopig geen nieuwe gebruikers op het hoogspanningsnet toe te laten vanwege overbelasting zijn wellicht de eerste dominostenen. Of, om het minder negatief te beschrijven,  noodmaatregelen om de instorting van het elektriciteitsnet te voorkomen. Bovenstaande definitie van het domino-effect in Wikipedia rammelt maar op één punt, namelijk dat het moet gaan om onvermijdelijke gebeurtenissen. Dat gaat in elk geval niet op voor de grote problemen die zich momenteel op het Nederlandse net voordoen. Jarenlang waarschuwen deskundigen al dat de groeiende elektrificatie van ons land te snel gaat.


Fig.3    Bron: Telegraaf

De problemen zijn te vinden bij zowel vraag als aanbod. De vraag bij grootafnemers groeit, maar ook de vraag bij huishoudens vanwege warmtepompen en elektrische auto’s zet druk op het systeem. Aan de aanbodzijde zijn het vooral windmolens en zonnepanelen die voor problemen zorgen. Een groot probleem bij deze vormen van elektriciteitsopwekking is het gebrek aan regelmaat bij het aanbod. De Volkskrant bood op 31 mei j.l. een kijkje in de controlekamer van Tennet, een van de netbeheerders: “ De explosieve groei van het aantal zonnepanelen leidt tot steeds hogere pieken op het Nederlandse hoogspanningsnet. Aan netbeheerder Tennet de taak opstoppingen te voorkomen. Hoe ingewikkeld dat is, blijkt in de controlekamer op de dag dat voor het eerst meer duurzame elektriciteit werd opgewekt dan er aan stroom werd gebruikt.”

Dat er nog geen 2 weken na dit inkijkje in de controlekamer aan de handrem getrokken moet worden schetst de nood, die hoog is. Gedeputeerde in Limburg Maarten van Gaans-Gijbels zegt op de website van de provincie Noord-Brabant : “De beslissing van de netwerkbeheerder is ongekend en onacceptabel. De gevolgen voor zowel de energietransitie als de rest van de Limburgse samenleving zijn aanzienlijk. Ik roep alle betrokken partijen dan ook op tot het uiterste te gaan en nieuwe wegen te bewandelen om de effecten te voorkomen.” De zwarte piet wordt zo naar de netwerkbeheerder geschoven. Dat is onterecht. Van Gaans is de nieuwe gedeputeerde voor energie en lid van D66. Het is juist deze partij die voorop liep bij de versnelde invoering van wat ‘de energietransitie’ genoemd wordt.

De vooropleiding van Van Gaans (conservatorium) geeft geen garantie dat de gedeputeerde weet waar hij het over heeft, om het maar eens eufemistisch uit te drukken. Hij was politiek adviseur van toenmalig D66‐fractievoorzitter Rob Jetten, de huidige minister van Klimaat en Energie. Ook Jetten is niet opgeleid (bestuurskunde) om het rekenwerk te kunnen volgen dat nodig is om de elektriciteitsvoorziening in ons land te waarborgen, vrees ik. Wat een puinhoop.

Europa en de zon


Fig.1    Data: KNMI

Figuur 1 toont de gemiddelde inkomende zonnestraling (instraling) in De Bilt van 1958 t/m 2021 in W/m2. Zoals reeds eerder beschreven is er vanaf het einde van de vorige eeuw sprake van een zeer sterke toename van de instraling in Nederland en de omringende landen. Zie onder andere hier en hier en hier. De lineaire trendlijn in figuur 1 geeft een stijging weer van 12,8 W/m2 over de gehele periode 1958-2021, dat is een toename van 12%. De loess-lijn in de figuur laat zien dat de instraling tot in de jaren ’90 vlak is, daarna neemt de instraling snel toe.


Fig.2     Data: KNMI

Figuur 2 toont voor De Bilt het verloop van de instraling (Q) en temperatuur (T) per jaar voor de periode 1979-2020. De toename van Q in deze periode was 17,4 W/m2, terwijl de temperatuur in deze periode toenam met 1,9 °C. Dat zijn forse toenames.

Fig.3    Bron: Kiehl & Trenberth 2009

In figuur 3 is de instraling weergegeven als ‘Absorbed by surface’. Voor de aarde als geheel wordt die geschat op gemiddeld 161 W/m2. Volgens figuur 2 is de recente instraling aan het aardoppervlak in De Bilt ongeveer 120 W/m2 op jaarbasis.


Fig.4    Bron: CBS, PBL, Wageningen Universiteit

De toename van de instraling die in figuur 2 te zien is kan veroorzaakt worden door veranderende absorptie door de atmosfeer en reflecties op wolken en aardoppervlak. Ongetwijfeld zal de afname van aerosolen in West Europa vanaf 1980 bij hebben gedragen tot de toename van de instraling. Figuur 4 toont de sterke afname sinds 1980 van SO2 in Nederland als gevolg van maatregelen. Wellicht zal ook de albedo van het aardoppervlak enige bijdrage geleverd hebben, maar de grootste bijdrage aan de toename van de instraling lijkt toch wel het gevolg van afgenomen bewolking.


Fig.5    Data: KNMI

Verandering in bewolkingsgraad is lastig vast te stellen aan de hand van data over wolkbedekking van het KNMI vanwege de wijze van observatie en registratie. Daarom gebruik ik het aantal zonuren als proxy voor bewolking. De ontwikkeling vanaf 1901 ziet u in figuur 5. De grafiek geeft per jaar het totaal aantal uren zon. Dat aantal is van 1901 tot in de jaren ’90 van de vorige eeuw tamelijk constant, ongeveer 1500. Daarna begint het aantal jaarlijkse zonuren spectaculair toe te nemen. Vanaf medio jaren ’90 t/m 2021 is het aantal zonuren met ruim 24% toegenomen! Vergelijkbare cijfers vond ik ook in de 4 andere KNMI hoofdstations Vlissingen, De Kooy, Maastricht en Eelde. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat die toename van de instraling in Nederland dus met name het gevolg is van de afname van de bewolking. Overigens kan de afname van aerosolen daar een rol bij spelen. Aerosolen spelen immers als condensatiekernen een belangrijke rol bij het ontstaan van bewolking.


Fig.6    Bron: Copernicus

In een bericht van januari 2021 liet ik zien dat zich ook in de buurlanden België en Duitsland vergelijkbare ontwikkelingen van de instraling voordoen als in Nederland, gepaard gaande met een toename van het aantal zonuren. Ook de Oostenrijkse Alpen laten vergelijkbare ontwikkelingen zien, zoals ik al eerder schreef. Maar hoe zit het met de rest van Europa? Vanaf 1983 zijn gegevens beschikbaar via een Europese satelliet, de EUMETSAT CM SAF. De data van figuur 6 zijn afkomstig van dit Europese satellietprogramma. De grafiek toont de toename van het aantal zonuren in Europa ten opzichte van de referentieperiode 1983-2012. Ik schat die toename in de periode op meer dan 200 zonuren per jaar. Het gemiddeld aantal zonuren in Europa was in de referentieperiode 2335 uur per jaar.


Fig.7    Bron: Copernicus

Satellietmetingen in 2019 laten voor dat jaar goed de rol zien die een afnemende bewolkingsgraad heeft op de instraling. Die toename van de instraling was vooral in het eerste halfjaar (januari-juni) van 2019 goed merkbaar, zoals figuur 7 laat zien. De oorzaak daarvan is te vinden in de volgende figuur:


Fig. 8    Bron: Copernicus

Tot nu toe maakte ik voor de data van de instraling gebruik van meetgegevens van weerstations. Die data zijn in Nederland en Duitsland makkelijk en vrij verkrijgbaar, maar dat geldt voor andere landen niet automatisch. Om zicht te krijgen op de instralingdata van Europa heb ik daarom gebruik gemaakt van datareeksen van ERA5 reanalyses. Reanalyses zijn datasets waarin alle waarnemingen zitten die voorhanden zijn, zoals van satellieten, thermometers, weerballonnen, schepen, vliegtuigen en boeien. Ze behoren tot de meest gebruikte datasets in de geofysische wetenschappen en bieden een uitgebreide beschrijving van het waargenomen klimaat zoals dat zich in de afgelopen decennia heeft ontwikkeld, op 3D-rasters en bijna real time.

Een van de bekendste reanalyses datasets is ERA5 van het ECMWF, die gegevens bevat over een groot aantal parameters van de atmosfeer, het landoppervlak en de zee. ECMWF staat voor European Centre for Medium-Range Weather Forecasts, een onafhankelijke weerorganisatie gevestigd in Reading, UK. De ERA5-gegevens zijn beschikbaar op een raster met een celresolutie van 30 km. De dataset bestrijkt de periode van 1950 tot heden. Bij een kwaliteitscontrole voorafgaand aan de publicatie zijn echter enkele problemen aan het licht gekomen. Dat had tot gevolg dat de ERA5 reeks voorlopig opgesplitst is in twee delen, de minder betrouwbare voorlopige ERA5-dataset van 1950 tot 1978 en de op kwaliteit gecontroleerde dataset van 1979 tot heden (vanaf 1979 kwamen satellietdata beschikbaar).


Fig.9

Ik heb Europa opgedeeld in 4 regio’s: Noord Europa (60-70N, 15-60E) , West Europa (45-60N, 0-30E) , Oost Europa (45-60N, 30-60E ) en het Middellandse Zeegebied (30-45N, 10W-35E). Ik maakte gebruik van de ERA5 maanddataset vanaf 1979 t/m 2020 zoals die beschikbaar is in de Climate Explorer van het KNMI. De gebruikte parameter ssr (surface net solar radiation) is in de Climate Explorer al omgerekend van J/cm2 naar W/m2 per maand.


Fig.10    Data: Climate Explorer

Figuur 10 toont voor West Europa ( 45-60N, 0-30E) de grafiek van de maandelijkse ssr. Duidelijk is de jaarlijkse gang van de instraling te zien met de maandelijkse stapjes, met laagste waarden in de winter en de hoogste in de zomer.

Omdat ik de instralingsdata van verschillende regio’s later met elkaar wil vergelijken kan ik in plaats van de absolute data van figuur 9 beter zogenaamde anomalieën gebruiken, die de veranderingen weergeven ten opzichte van een referentietijdvak, in dit geval de periode 1981-1990. Dat komt er voor West Europa zo uit te zien:


Fig.11    Data: Climate Explorer

De grafiek laat zien dat er in de periode 1979-2020 in West Europa sprake was van een opmerkelijke stijging van de netto instraling aan het aardoppervlak. De lineaire trendlijn geeft voor 1979-2020 een toename van maar liefst 10,8 W/m2, een toename van het invallende zonlicht met ongeveer 10% !

Op dezelfde wijze heb ik met behulp van ssr data van ERA5  grafieken gemaakt van Noord-  en Oost Europa en het Middellands Zeegebied:


Fig.12


Fig.13


Fig.14

Bovenstaande grafieken laten zien dat de grote toename van de instraling sinds 1979 voor een groot deel van Europa geldt. Noord Europa kent vanaf 1979 een toename van de netto instraling van 6,3 W/m2 (9%), Oost Europa van 12,4 W/m2 (12%), en het Middellands Zeegebied van 5,5 W/m2 (3,2%). Opvallend zijn de lagere cijfers van het Middellands Zeegebied, waarbij de relatieve toename van 3,2% schril afsteekt bij de waarde rond de 10% voor de rest van Europa. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de algemene  luchtcirculatie, waarbij deze regio zich voor een groot deel van het jaar in de zone bevindt van de subtropische hogedrukgebieden waarin bewolking een groot deel van het jaar nagenoeg afwezig is.

Natuurlijk was ik nieuwsgierig naar de effecten van de opvallend grote toename van het invallende zonlicht in Europa op de luchttemperatuur aan het aardoppervlak. Daarvoor gebruikte ik uit de ERA5 database de parameter 2t (2 metre temperature), de temperatuur op 2m boven het aardoppervlak. Om die datareeksen met elkaar te kunnen vergelijken heb ik op de data van de netto instraling en van de temperatuur een loess smoothing toegepast.


Fig.15


Fig.16


Fig.17


Fig.18

Het is duidelijk dat er in elk van de grafieken sprake is van een sterke visuele correlatie tussen de instraling en de luchttemperatuur. Dat is natuurlijk helemaal niet zo gek: iedereen weet dat de lucht in de loop van de dag opwarmt als de zon aan de hemel stijgt, dat de temperatuur stijgt als we van de winter naar de zomer gaan, en dat als er een wolk voor de zon schuift de temperatuur daalt. De zon is voor nagenoeg 100% de bron van alle aardse opwarming.

Maar met alleen een correlatie ‘op het oog’ ben je er niet. Daarom is voor elke regio de R2 berekend. R-kwadraat (R2) is een statistische maat die het aandeel van de variantie voor een afhankelijke variabele weergeeft die wordt verklaard door een onafhankelijke variabele in een regressiemodel. In dit geval is de afhankelijke variabele de luchttemperatuur (2t) en de onafhankelijke variabele de instraling (ssr).  R-kwadraat geeft dus weer in welke mate de variaties van de temperatuur bepaald worden door variaties van de instraling. R2 bepaalt niet de trend van de temperatuur, maar de hoge R2 waarden laten wel zien dat temperatuur en instraling sterk gekoppeld zijn. In tabel:

Voor West Europa betekent R2 = 0,81 dat de variaties van de temperatuur voor 81% verklaard worden door de variaties van de instraling. Lastiger is het om te bepalen wat die sterke toename van de netto instraling in de diverse delen van  Europa voor effect heeft gehad op de temperatuurtrend, maar dat dit effect aanzienlijk moet zijn geweest lijkt me aannemelijk. Zo wordt door het IPCC een forcing van 3,7 W/m2 aangehouden voor verdubbeling van het CO2-gehalte. Als alle andere klimaatparameters constant worden verondersteld, dan wordt verondersteld dat het opwarmingseffect daarvan al 1,1 °C is.

Een volgende keer ga ik graag voor diverse regio’s buiten Europa de ontwikkeling van de instraling en temperatuur bekijken.

David Siegel’s video

David Siegel’s jongste video is een 40 minuten durende les over klimaat en klimaatverandering. Siegel is van huis uit een technicus en opgeleid in de computerwetenschappen. Maar hij houdt zich al heel lang bezig met klimaat en klimaatverandering. Zoals zoveel mensen geloofde hij lang Al Gore’s verhaal over CO2, totdat hij begreep dat hij voor de gek gehouden werd. Nu schrijft hij onder andere over klimaatverandering op het internet, zie hier en hier.

Onlangs bracht hij zijn video over klimaatverandering uit, waarvan hij zegt: “The Best Video I’ve Ever Made on the Science of Climate Change”. Dat zal waar zijn, maar wat belangrijker is: het is een hele goede video geworden, met veel duidelijke info in korte tijd. Kijken dus!

Warmtepomp


Fig.1    Bron: Wynia’s Week

Op de foto CDA-minister Hugo de Jonge (midden) met zijn partijgenoot Doekle Terpstra (derde van rechts). Die laatste lobbyde namens de installatiebranche succesvol bij de minister voor het verplicht stellen van de warmtepomp.

Minister Hugo de Jonge wil (hybride) warmtepompen vanaf 2026 verplicht stellen in woningen. Dat is volop in het nieuws, en de discussies gaan over de kosten en de vraag of verplichting wel wenselijk is. De vraag die er werkelijk toe doet wordt echter niet gesteld: hoeveel aardgas en CO2 bespaart deze maatregel eigenlijk? Ik vind het angstaanjagend dat media, politici en burgers er klakkeloos van uit gaan dat warmtepompen überhaupt aardgas en CO2 zouden besparen.”

Dat schrijft Maarten van Andel op de website Wyniasweek. Dat warmtepompen geen aardgas en CO2 besparen is al een paar keer voorgerekend door mensen die verstand van zaken hebben en kunnen rekenen, zoals de hoogleraren David Smeulders en Machiel Mulder. Natuurlijk zijn er ook in de installatiebranche mensen die kunnen rekenen, maar die hebben echt andere belangen dan die van de burgers.

Lees het hele artikel van Van Andel hier. En meer informatie hier.

Slik


Fig.1    Bron: Bjorn Lomborg

Bjorn Lomborg, adjunct-professor aan de Copenhagen Business School en directeur van het Copenhagen Consensus Center, is nooit te beroerd om klimaatzaken na te rekenen en stuit daarbij vaak op verrassende uitslagen. Zo ook afgelopen week, toen hij de voorgenomen inspanningen van de EU om in 2030 de CO2-uitstoot met 55% te verminderen in een breder perspectief plaatste.

Wat zou het effect van die enorme CO2-reductie zijn op de gemiddelde temperatuur op aarde? Hij gebruikte daarvoor het ‘middle of the road’ SSP2 scenario van de VN (IPCC). Hij deed wat runs en het resultaat ziet u in bovenstaande grafiek: nagenoeg niets. En dan te bedenken dat dit CO2-beleid de EU burgers per persoon meer dan € 10.000 gaat kosten.

De berekening die Lomborg maakte lijkt erg op de berekening die wetenschapsjournalist Marcel Crok in 2017 maakte. Toen ging het om het effect van de voorgenomen reductie van CO2-uitstoot in Nederland in 2030 met 49%. Crok berekende toen dat dat maar 0,0003 graden opwarming zou schelen.  Voor die klimaatplannen in Nederland is momenteel 35 miljard Euro gereserveerd. Dat zal waarschijnlijk iets minder worden vanwege de financiële tekorten, ziet het er naar uit, maar het gaat hier toch om reusachtige bedragen, waarvoor we eigenlijk niets terugkrijgen.

Naar aanleiding van Croks berekening deed wetenschapsjournalist Maarten Keulemans van de Volkskrant in 2017 een fact check. Conclusie: de berekening klopte. Die berekening was gebaseerd op een berekening door nota bene de Nederlandse Staat zelf in het zogenaamde Urgendaproces. Urgenda stelde dat toekomstige generaties gevaar zouden lopen als Nederland niet meer CO2 zou toepassen. De Staat liet zien dat dat ‘gevaar’  nihil is, overigens zonder indruk te maken op de zittende rechter.

U kunt zowel het stuk van Crok als van Keulemans nalezen in het artikel dat ik destijds over de kwestie heb geschreven. Beide gevallen -die van de EU en van Nederland- zijn schrijnende voorbeelden van de moderne variant  van het sprookje ‘De kleren van de Keizer’.

Klimaatpamflet


Fig.1    Bron: Ad Huijser

Bovenstaande foto is onlangs genomen in Gent, België, maar hij had net zo goed in Nederland genomen kunnen zijn. De affiches zijn afkomstig van een beweging die Extinction Rebellion heet en die grote woorden niet schuwt. De affiche doet voorkomen dat VN-secretaris-generaal Antonio Guterres gezegd heeft: “Het is tijd voor dringende klimaatactie. De helft van de mensheid leeft in de gevarenzone. Uitstel betekent dood.” Nu weet ik niet of hij dit daadwerkelijk zo gezegd heeft, maar deze boodschap is volstrekt idioot en onwaar.

De bedoeling is in elk geval om angst te zaaien, zoveel is duidelijk. Er zit altijd een politiek (of soms religieus) doel achter, angst maakt mensen klein en manipuleerbaar. Nu is het klimaat een uiterst ingewikkeld systeem, over de vraag of er wel sprake is van een klimaatcrisis zoals beweerd wordt worden we vrijwel uitsluitend ‘geïnformeerd’ door het IPCC (een onderdeel van Guterres’ VN) en oneindig vaak gekopieerd door de traditionele media.

Dus hoe moet een gewone burger in ’s hemelsnaam zicht krijgen op dat klimaat, als die voortdurend omver geblazen wordt door een storm die maar uit één hoek waait? Gelukkig zijn er op het internet nog voldoende plekken waar de burger op een redelijke manier over het klimaat geïnformeerd kan worden. Maar je moet er wel moeite voor doen, want door de traditionele media worden die bronnen meestal geboycot.

Het is niet toevallig dat wetenschappers en andere slimme mensen vaak pas na hun pensionering hun licht over klimaatkwesties laten schijnen. Dan zijn ze vrij om hun ideeën en berekeningen naar buiten te brengen. Een daarvan is dr. Ad Huijser. Huijser heeft technische natuurkunde gestudeerd aan de TU Eindhoven en is onder andere jarenlang de baas geweest van het Natlab, het natuurkundig laboratorium van Philips. Hij kan razendsnel denken en rekenen, is gepensioneerd en heeft zich sindsdien op het klimaat gestort. Daarover zegt hij: “Gelukkig zijn er nog wel wat geïnteresseerde outsiders, meestal gepensioneerde wetenschappers die voor hun dagelijks brood niet meer afhankelijk zijn van het vergaren van onderzoeksgelden, die weten dat de klimaatwetenschap verre van “settled” is. En dat die, wetenschappelijk bezien, echt ingenieuze klimaatmodellen meestal niet eens in staat zijn om het, qua globale metingen goed bekende klimaat van de afgelopen vier decennia, met voldoende nauwkeurigheid te reproduceren.

Fig.2     Bron: Scafetta et al 2021

Figuur 2 laat zien dat ook de jongste generatie klimaatmodellen (CMIP6) niet in staat is om het temperatuurverloop op aarde goed te reproduceren. De groene lijn is de gemeten temperatuur. Daarover later meer.

Het idee dat CO2 de hoofdschuldige is van alle opwarming sinds 1850, is weinig aannemelijk en niet meer dan een onbewezen hypothese. Maatregelen gebaseerd op het idee, dat we de huidige opwarming kunnen stoppen door het volledig uitbannen van fossiele brandstoffen, zullen dan ook niet het geclaimde resultaat hebben. Dat is een totale, en in dit geval ook uiterst kostbare, illusie.”

Zo eindigt de tekst van het 28 pagina’s tellende klimaatpamflet van Huijser. Mooie woorden, maar kan Ad Huijser dat hard maken? Ja, en elke belangrijke uitspraak wordt vergezeld van referenties zodat de lezer zelf op onderzoek uit kan gaan. Zo is een samenhangend verhaal ontstaan over klimaatverandering, een verhaal dat je (helaas) niet snel in traditionele media tegen zult komen. En dat laatste is natuurlijk jammer. Huijser heeft zijn pamflet geschreven om tegenwicht te bieden aan de continue eenzijdige berichtgeving over het klimaat in die traditionele media, waardoor met name jonge mensen zich zorgen gaan maken over hun toekomst.

Dit pamflet is een aanrader  voor iedereen die zich wat breder wil oriënteren op klimaatverandering. Het is als pdf te downloaden vanaf de downloadpagina op deze website (zie het menu hierboven) of via deze link.

Het bos in Nederland


Fig.1    Bron: Wynia’s Week

De ontbossing van Nederland gaat sneller dan die van het Amazonegebied” Dat is de kop boven een artikel van Bina Ayar op de meestal voortreffelijke website van Syp Wynia. Die kop is natuurlijk onzin: van 1990  tot 2015 verdween er in Brazilië jaarlijks meer dan 400.000 ha bos, terwijl er in dezelfde periode in Nederland 930 ha per jaar bijkwamen (ourworldindata). Het totale areaal bos in Nederland is momenteel ongeveer 3730 km2 groot, terwijl alleen al Brazilië bijna 5.000.000 km2 bos heeft. Per jaar verdwijnt er in Brazilië dus ongeveer dezelfde oppervlakte aan bos als Nederland in totaal bezit.


Fig.2    Bron: ourworldindata

Wat vooral wel gebeurt in ons land: uitdunnen, en kap ‘voor de veiligheid’, maar dat laatste betreft vaak geen bos maar bomenrijen langs een weg of solitaire bomen. En er verdwijnt natuurlijk ook bos onder druk van woningbouw en infrastructuur, maar dat moet dan elders weer gecompenseerd worden. En dat gaat dan meestal ten koste van landbouwgrond. Volgens het artikel is er een  door de Unie van Bosgroepen opgestelde ‘gezamenlijke strategie’ van kabinet en provincies over het bosbeheer. Het woord ‘bosbeheer’  zegt eigenlijk al voldoende: natuurlijke bossen bestaan in Nederland niet, en we willen o zo graag ‘plannen’ maken voor die kleine plukjes bossen in ons landje, dat overvol en sterk verstedelijkt is.

En dan wordt er in die ‘gezamenlijke strategie’ natuurlijk ook aangehaakt bij  klimaatverandering, hoe kan het anders. Bina schijft: “Ook het klimaat is niet gebaat bij de plannen; voor klimaatverandering kwetsbare bomen vervangen door weerbare soorten leidt volgens tegenstanders tot een homogener bos, terwijl heterogeniteit belangrijk is voor ‘klimaatrobuustheid’. Via vlaktekap oude bomen inwisselen voor jonge exemplaren is bovendien juist slecht voor CO2-behoud en biodiversiteit die voor een groot deel samenhangt met dood hout.”

Klimaatrobuust bos creëren, wat moet ik me in ‘s hemelsnaam daarbij voorstellen? En wat ‘CO2-behoud’ is weet ik echt niet, ik denk dat Bina dat zelf ook niet weet. Dat rapport van de Unie van Bosgroepen (what’s in a name) wil ik zeker niet lezen. Overigens zijn bomen klimatologisch bezien op allerlei ruimtelijke schalen van groot belang. Zo kunnen in Nederland met zijn sterke verstedelijking bomen in stedelijke gebieden het Urban Heat Island-effect temperen. Daarover op een later moment meer.

De treurnis van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid

Gooi het hele klimaatbeleid om, zei Maarten van Andel in gesprek met Syp Wynia in september 2021. Het klimaatbeleid van de kabinetten-Rutte werkt nauwelijks – of zelfs helemaal niet – en is peperduur. Het beleid draait op sentiment, niet op nuchter nadenken. Bijna niets werkt. Het gasverbod kost honderden miljarden en leidt tot meer gasverbruik. Het subsidiëren van houtstook is slecht voor klimaat, natuur en milieu. Het onder de zeebodem stoppen van CO2 van Shell is allerminst duurzaam. Waterstof is de jongste vlucht vooruit, maar evenmin een oplossing. Nu, ruim een half jaar later, is er nog niet veel verbeterd. Een verhelderend gesprek over de treurnis van het klimaat- en energiebeleid.

Climate Change Science Essay


Fig.1    Figuur uit het essay.     Bron: Max Planck Institut

Klimaatonderzoeksinstituten weten dat zij bangmakende klimaatvoorspellingen moeten presenteren om financiering te blijven ontvangen – geen crisis betekent geen financiering. De media presenteren verhalen over klimaatrampen om hun producten te verkopen. Wetenschappelijk onderzoek dat suggereert dat klimaatverandering grotendeels natuurlijk is, krijgt niet of nauwelijks aandacht in de media. Deze factoren hebben ertoe geleid dat het grote publiek ernstig wordt misleid over klimaatkwesties, met als gevolg dat miljarden dollars worden verspild in een ondoeltreffende poging om het klimaat te beheersen.”

Zo begint een essay van de hand van Ken Gregory op de site van de Canadese Friends of Science Society. Een kennis attendeerde me onlangs op het bestaan van dat artikel. Gregory geeft daarin een zeer uitgebreid overzicht van de stand van de klimaatwetenschap. Friends of Science Society is een vereniging zonder winstoogmerk, gerund door aard- en atmosferische wetenschappers, ingenieurs, economen en andere deskundigen op het gebied van energie en klimaat. De vereniging tracht klimaatwetenschap en gerelateerd energiebeleid voor een breed publiek en beleidsmakers inzichtelijk te maken.

En dat laatste is met het essay van Gregory wonderbaarlijk goed gelukt. Het overzicht dat Gregory biedt is zeer uitgebreid (zie de inhoudsopgave hieronder) en goed te volgen aan de hand van vele grafieken. U kunt het essay hier vinden.


Fig.2    Bron: Friends of Science

Zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust t/m 2020

Fig.1    Bron: University of Colorado

Wetenschappers weten dat het algemene peil van de zee overal ter wereld is gestegen, op sommige plaatsen meer dan op andere. Figuur 1 toont de trends zoals die berekend worden uit de satellietdata (altimetry) tussen 1992 en 2021. Men schat dat in de afgelopen 140 jaar het wereldgemiddelde zeeniveau 21 tot 24 centimeter is gestegen, dat is 15 tot 17 cm per eeuw (bron: NASA). Dat komt heel goed overeen met de stijging die we in dezelfde periode langs de Nederlandse kust meten.

Zo nu en dan schrijf ik over die zeespiegel langs de Nederlandse kust. De laatste keer was dat in januari 2021, toen de data t/m 2019 beschikbaar waren. Ik heb me toen beperkt tot de gegevens van de 6 hoofdgetijdestations. Die stations zijn Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, De Helder, Harlingen en Delfzijl, zie figuur 2.

Fig.2

Voorzichtigheidshalve liet ik in het vorige artikel de reeksen beginnen in 1901, maar heb nu de meetreeksen flink uitgebreid tot ver in de 19e eeuw. De getijdenreeksen van Nederland behoren tot de oudste op aarde, maar niet alle stations leverden in de beginjaren betrouwbare data. Dat betreft de stations Vlissingen en IJmuiden, die beide een trendbreuk rond 1887 vertonen die in de overige 4 stations afwezig is. Zie de inzet in de figuren 6 en 8.

Die trendbreuk wijst op invloed van andere factoren dan de zeespiegelhoogte, zoals veranderingen aan instrumentarium en veranderingen in de directe omgeving van het station. Daarom laat ik de meetreeksen van de stations Vlissingen en IJmuiden ná die trendbreuk beginnen, vanaf 1887. De 4 andere meetreeksen vertonen geen trendbreuk en worden vanaf het begin van de metingen (1864/1865) weergegeven. Zo zien de maandgemiddelde data van de 6 stations er uit:

Fig. 3    Bron: Sealevel

Fig.4    Bron: Sealevel

Fig.5    Bron: Sealevel

Fig.6    Bron: Sealevel

Fig.7    Bron: Sealevel

Fig.8    Bron: Sealevel

De data zijn afkomstig van PSMSL, Permanent Service for Mean Sea Level in Liverpool, de organisatie die verantwoordelijk is voor het verzamelen, publiceren, analyseren en interpreteren van gegevens over het zeeniveau afkomstig van het wereldwijde netwerk van getijdenmeters. De PSMSL data van alle meetstations op aarde zijn vergelijkbaar door het toepassen van RLR, revised local reference, een fictief O-niveau. De cijfers langs de y-as geven de hoogte van de zeespiegel ten opzichte van die RLR weer, in mm.


Fig.9    Data: PSMSL

De grafiek van figuur 9 toont de jaarlijkse gemiddelde relatieve zeespiegelhoogte van het ensemble van de 6 hoofdstations van 1887 t/m 2020. De lineaire trend is 1,94 mm/jaar en wordt weergegeven door de zwarte streepjeslijn. Op het oog is er geen versnelling te zien in het sterk volatiele signaal. Dat dat in werkelijkheid ook zo is toont de rode streepjeslijn die de acceleratie weergeeft: die is nagenoeg nul en valt daardoor visueel vrijwel samen met de lineaire trendlijn.

Voor een groot deel is de trend langs de Nederlandse kust te verklaren uit factoren die op wereldschaal spelen zoals uitzetting van opwarmend zeewater en smelten van landijs en gletsjers. Omdat het hier relatieve zeespiegeldata betreft is de trend deels te verklaren door bodemdaling langs de Nederlandse kust. Die bodemdaling is niet overal gelijk en wordt geschat op gemiddeld 0,45 mm/jaar. Gemiddeld over de 6 stations is de relatieve zeespiegelstijging dus 1,94 mm/jaar, minus de bodemdaling,  resulterend in een absolute zeespiegeltrend langs onze kust vanaf de tweede helft van de 19e eeuw van ongeveer 1,5 mm/jaar.

De verschillen in lineaire trend, zoals linksboven in elk van de grafieken van figuur 3 t/m 8 vermeld, zijn opvallend groot en variëren van 1,45 mm/jaar in Harlingen tot 2,4 mm/jaar in Hoek van Holland. Die verschillen zijn deels het gevolg van verschillen in bodemdaling. Die bodemdaling is niet overal langs onze kust hetzelfde. Zo veroorzaakt gaswinning nabij Hoek van Holland en de Waddenkust een grotere bodemdaling. Verder spelen getijdenbewegingen en waterdiepte een rol van betekenis in de trendverschillen tussen de meetreeksen.


Fig.10    Data: PSMSL

Figuur 10 laat de jaarlijkse RMS (Relative Mean Sealevel) zien van de 6 hoofdstations afzonderlijk van 1887 t/m 2020. De correlatie tussen de 6 signalen is groot, wat gezien de geringe onderlinge afstand tussen de stations niet verwonderlijk is.

De variaties van jaar tot jaar (de afwijkingen van de lineaire trend) kunnen tamelijk groot zijn, zoals de grafiek laat zien. Die variaties worden deels veroorzaakt door fluctuaties in dominante windrichting. Windschering veroorzaakt dan grote verschillen in waterhoogte. Daarbij spelen windrichting en windsnelheid een belangrijke rol. Zo is de zeespiegelpiek in de grafieken in 1967 goed te verklaren door het grote aantal dagen met westenwind. De Kooy (Den Helder) telde toen 160 dagen met westenwind, terwijl het gemiddelde over de periode 1906 t/m 2020  121 dagen was. Het dal in 1947 kan verklaard worden door het geringe aantal dagen met westenwind in dat jaar: De Kooy telde toen slechts 94 dagen met westenwind.


Fig.11    Data: KNMI

Figuur 11 toont voor De Kooy (Den Helder) vanaf 1906 het aantal dagen per jaar met westenwind (windhoek 225° – 315°). Te zien is dat over de gehele periode er een lichte stijging is van het aantal dagen met westenwind en dat de afgelopen 40 jaren de grafiek geen trend vertoont. Andere verklaringen voor de fluctuaties van jaar tot jaar zijn verschillen in luchtdruk, watertemperatuur, verschillen in zoutgehalten (bij riviermondingen) en de zogenaamde drakencyclus van 18,6 jaar (invloed maan).

Fig.12    Naar: KNMI Klimaatsignaal ‘21

De afgelopen jaren zijn we onder andere vanuit het IPCC bestookt met dwingende berichten over klimatologische rampspoed. Het KNMI berekende op basis van recente IPCC modellen een zeespiegelstijging van  tot 2100 die voor ons land wel tot 1,2 m kan oplopen (zie figuur 12). Dat zijn volstrekt andere getallen dan de 15 cm per eeuw die we vanaf het midden van de 19e eeuw t/m 2020 gemeten hebben. Overigens zijn de hoogste schattingen in de grafiek gebaseerd op het zwartste IPCC scenario SSP5-8.5 dat volgens veel wetenschappers onwaarschijnlijk is.

Hierboven zagen we al dat de gemiddelde trend van de absolute zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust 1,5 mm/jaar is, dat is 15 cm per eeuw. In de grafiek van figuur 12 is te zien dat de gemeten zeespiegel zich tot 2020 aan de onderkant van de onzekerheidswaaier van het KNMI beweegt. De voorspellingen bewegen sterk omhoog, terwijl de gemeten zeedata zich al 150 jaren in dezelfde richting voortbewegen.

Die voorspellingen van het KNMI zijn gebaseerd op modellen van het IPCC. Voor die voorspellingen geldt, zoals voor alle voorspellingen, een oud spreekwoord: “Er zullen eerst nog veel vogeltjes kakken, die nu nog geen gat hebben”. Er moet nog heel wat gebeuren voordat de rampenscenario’s van KNMI en  IPCC zich zullen voltrekken op de wijze als bovenstaande grafiek suggereert. De zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust geeft in elk geval nog geen krimp.